17e zondag door het jaar (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 17e zondag · groen

Beste lezer,

Dinsdag heb ik met vrienden het museum van Kleef bezocht. Daar zag ik voor het eerst werk van Ewald Mataré, een Duitse kunstenaar die leefde van 1887 tot 1965.

Hij maakte veel beelden en schilderingen van koeien. Een ervan, de eerste die ik zag, was een klein beeld van een slapende koe, van afstand gezien niet veel meer dan een glanzende blok hout. Het was niet zo maar en koe. Er kwamen woorden bij me op als “kosmische contemplatie” en “de ziel van het dier.” Dat beeld openbaarde me iets universeels, groots, intens, en toch gevat in een stuk hout, zonder opvallende techniek. Van een schoonheid die zich kan meten met het werk van de grootste kunstenaars.

Ook werd ik geraakt door een beeld van moeder en kind, wel drie meter hoog, in één stuk gehakt uit de stam van een boom. Ook hier openbaarde zich de intensiteit van een ziel. Geen lichamelijk schoon van het menselijke lichaam, niets typisch vrouwelijks en toch intens moederlijk: het laat zien wat er verborgen ligt in een blik tussen moeder en kind. Niet de ziel van een individu, maar de ziel van de mens, in wie de oerknal nog resoneert. Een mysterie volgens geleerden en toch laat het zich zien en horen.

Het is heel passend om hier in de kerk over die beelden te spreken, want toen ik er de volgende dag over nadacht, kwam het woord heilig bij me op.

De eerste lezing is een schitterend verhaal. Harry Mulisch, die tachtig wordt, zou er jaloers op zijn! God die klaar staat om wraak te nemen en te verdelgen en Abraham die als een handelaar aan die boze God barmhartigheid weet te ontfutselen.

Abraham leert zijn God dat Hij beter rekening moet houden met de onvermijdelijke bijwerkingen van zijn wraakzucht.

Die kwade God zit ons allemaal nog in het bloed. Niet voor niets beginnen we elke mis met eens schuldbelijdenis.

Paulus kan het zo lekker zeggen: “Ook God heeft u, die dood waart ten gevolge van uw zonde en uw morele onbehouwenheid, weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven. Hij heeft de oorkonde verscheurd die met haar bezwarende bepalingen tegen ons getuigde. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.” (Aan de christenen van Colosse, 2, 12-14). Aan het kruis van wie ook weer?

Die vernederende kijk klinkt ook door in het evangelie:“Als gij dus, - ofschoon ge slecht zijt - goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem er om vragen.”

Met welke God zijn we meer vertrouwd? De God die geeft als wij vragen, die laat vinden als we zoeken, die opendoet als we kloppen of de God die ons klein houdt en ons laat weten dat we slecht zijn?

Behalve de God van mooie beloften en van wraak en straffen, is er ook een God met wie Jezus ons vertrouwd heeft proberen te maken: een God die hij Vader noemde, de Geest die hij inademde, die hij proefde bij elke hap eten, een God die met hem danste als hij zich blij voelde, een God die hem nabij bleef zelfs als Jezus het niet meer zag zitten.

Dat is de God die ons bescheiden om een gunst vraagt, die aan onze deur klopt en onze gast wil zijn en die zich door ons wil laten vinden als het verloren schaap.

Dat het zo moge worden.

Zoeken in Preken Online