Met de eerste lezing van deze zondag begint een belangrijke fase in het ‘Boek van de menswording’. Vanaf Genesis 12 wordt Abraham in de Schrift uitgetekend als degene die omwille van JHWH op weg is gegaan, en die met achterlating van al het vertrouwde aan Gods Woord gehoor heeft gegeven op hoop van zegen. Hij sloot met JHWH een verbond (Gen 15), maar de schoot van zijn vrouw Sara bleef hardnekkig gesloten. Uit eigen man-en-macht lukte het hen niet om vruchtbaar te zijn en toekomst te maken.
In Genesis 18 komt er een plotse doorbraak in deze uitzichtloosheid. Die ‘openbaring’ wordt bemiddeld door het onverwachte bezoek van drie vreemdelingen bij de eik van Mamre.
Het bestaan van Abraham en Sara was tot voor deze ontmoeting eerder ‘exclusief’, gericht op de toekomst en de vruchtbaarheid binnen de eigen kleine kring, het eigen volk, de eigen stamboom. Het bezoek van de drie onverwachte gasten breekt ineens hun kleine wereld open, leert hen ‘inclusief’ te denken en te leven, en dàt zorgt ervoor dat hun toekomst in de schoot valt, een toekomst die de wijde wereld om hen heen volop reden tot lachen geeft…Isaak (‘God geeft ons reden tot lachen’) wordt pas verderop in het verhaal geboren (Gen 22,1-7), maar de lezing van vandaag brengt de belofte dat hij komen zal, definitief dichterbij.
Situering van de tekst
- Abraham en Sara zijn als vreemdelingen het land Kanaän binnengetrokken. Zij mochten er te gast zijn, min of meer geduld door de autochtone bewoners. Ze hadden er recht op een ‘tijdelijk verblijf’, maar kregen er letterlijk en figuurlijk nauwelijks voet aan de grond. De plek waar zij woonden, werd nooit hun eigendom.
Dat is typisch bijbels: voor JHWH, de God van Israël, is de aarde voor niemand te koop. Ze blijft een goddelijk geschenk, waarover je maar tijdelijk kan beschikken, zodat in principe iedereen en niet alleen de toevallige ‘bezitter’ van het land er in vrijheid en vrede kan leven. Gods volk kreeg er later het recht op wonen, de kans om welzijn en welvaart op te bouwen, maar ook de plicht om een verbond van vrede te sluiten met de buren binnen en buiten Kanäan, de opdracht om als gastland zelf altijd voor vreemdelingen gastvrij te zijn. - Abraham en Sara hebben daar, in de afwisseling van zwerven, zich even settelen en weer verder trekken, in het ‘niemandsland’ tussen het verleden dat voor hen onvruchtbaar en onleefbaar was gebleken en de toekomst die hoogst onzeker bleef, een God op mensenmaat aan den lijve leren ervaren. Eén die met hen mee wilde zwerven: JHWH, die zowel vreemden als ingezetenen van het land vrij maakt ten leven…
- JHWH had in Gen 15 een verbond gesloten met Abraham. Als teken daarvan werden de aartsvader en al zijn huisgenoten besneden; er werd hen een ‘merkteken’ in het lijf gegrift, het typische bewijs van hun eigen identiteit als volk. Daarover werd in het vorige hoofdstuk (Gen 17 ) verteld.
Op het moment dat ons verhaal begint, zat vader Abraham bij de ingang van zijn tent nog te bekomen van die ingreep, zeggen de Joodse commentaren. Hij werd zich nog maar pas goed bewust van zijn eigen identiteit, hij voelde de pijn van de besnijdenis nog branden in zijn lijf, en besefte nog maar nauwelijks wat die inlijving in een ‘eigen volk’ zou meebrengen aan rechten en plichten. Nu zal er al direct een nieuwe ‘ingreep’ in zijn leven gebeuren, een grote uitdaging voor en een beproeving van die pas verworven identiteit. Er komen ongevraagd vreemdelingen in zijn leven binnen gestapt, mensen die ‘anders’ zijn. De vraag is: hoe zal hij daar op reageren: exclusief of inclusief..? - In Gen 18,1 wordt gezegd dat JHWH aan Abraham verschijnt. In 18,2 is er echter sprake van ‘drie mannen’. Subtiel en bijna onopvallend gebruikt de verteller verder voor de bezoeker(s) enkelvoud (18,3 en 10) én meervoud (18,5 en 9) voortdurend door elkaar. Geruisloos, als vanzelfsprekend, gaan die twee in elkaar over. En telkens wanneer het meervoud van de drie zich verdicht tot het enkelvoud van de Eén, is Hij in het spel, de God wiens Naam is ‘Ik-zal-er-zijn’…
Exegeten hebben zich hierover het hoofd gebroken en er allerlei verklaringen voor gezocht. We kunnen onze (moderne) behoefte om de exacte identiteit van Abrahams gast(en) te achterhalen maar beter laten varen. De verteller laat het bewust in het midden. Volgens hem is het God die bij Abraham en Sara op bezoek komt in de gedaante van drie vreemdelingen. Dit is duidelijk de enige manier waarop de verteller deze goddelijke openbaring ter sprake kan brengen.Als zoiets onmogelijks verteld moet worden, - dat God opdaagt in de indommelende, niets vermoedende mensenwereld, op het heetst van de dag, als iedereen met zichzelf bezig is en zoekt naar wat rust voor de eigen tentingang - kiest onze auteur van Genesis heel bijbels-trefzeker voor enkele ‘stand-ins’ : drie vreemdelingen die als goddelijke ambassadeurs op zoek zijn naar een gastvrij onthaal… - Dat goden in mensengedaante op bezoek komen bij gewone stervelingen is een thema dat we niet alleen in de Bijbel ontmoeten. Ook andere culturen en tradities hebben gelijkaardige verhalen, met steevast hetzelfde patroon. Goddelijke gasten melden zich onverwacht aan. Ze worden niet meteen herkend, maar door een paar eenvoudige mensen worden ze vriendelijk onthaald en bediend. Ze vertrekken niet vooraleer een geschenk aan te bieden als beloning voor de genoten gastvrijheid. Die beloning bestaat vaak uit de belofte van een aanstaande geboorte, gericht tot onvruchtbare ouders.
- In Genesis wordt dit bekende patroon uitgewerkt tot een verhaal van opperste Oosterse gastvrijheid. Uitgebreid wordt verteld hoe Abraham de toevallige passanten uitnodigt in zijn tent en alles doet om het hun naar de zin te maken. Het beste van het beste wordt klaar gemaakt, en zoals dat in het Oosten blijkbaar gaat, de gastheer eet zelf niet mee, om er beter voor te kunnen zorgen dat het zijn gasten aan niets ontbreekt.
Aartsvader Abraham is dan ook in de bijbelse traditie het prototype geworden van de gastvrijheid zelve. In de Joodse traditie wordt later verteld dat zijn tent eigenlijk vier ingangen had, zodat hij gasten uit elke windrichting kon naar binnen halen. Ook in de Koran wordt Abraham zondermeer de grondlegger van de gastvrijheid genoemd. - De traditie zegt ook dat de gulle gastvrijheid waarmee Abraham de drie gasten bij zijn tent ontving, niets te maken had met het feit dat hij meteen besefte dat zij engelen waren of godsgezanten. Zou dat wel zo geweest zijn, dan had zijn gastvrijheid een bijsmaak gehad van opportunisme en eigenbelang. Een Joodse commentaar weet zelfs te vertellen dat Abraham, toen hij een eerste vermoeden begon te krijgen dat JHWH Himself bij hem op bezoek was, gezegd zou hebben: ‘Pardon, Mijnheer de Allerhoogste, zou U hier even willen wachten tot ik eerst die drie vreemdelingen te eten en te drinken heb gegeven?’
Daar valt, zegt de traditie, een belangrijke les uit te leren. Bezig zijn met een aards gebod als gastvrijheid is een hoogst belangrijke vorm van ‘gods-dienst’, van ‘eredienst’ zelfs… En omgekeerd: een religieuze ervaring waarin men meent rechtstreeks met God in contact te komen, mag er nooit toe leiden dat men de mens die op ons een beroep doet niet meer in zijn blikveld toelaat.
Het ontvangen van gasten gaat dan ook volgens de bijbelse traditie voor alles. Bijvoorbeeld ook vóór Torastudie. Wie naar het leerhuis wil gaan maar onverwacht gasten op bezoek krijgt, moet zich eerst met hen bezighouden. In veel traditionele Joodse gezinnen is het de gewoonte om op sabbat gasten te ontvangen. Men kijkt dan na het avondgebed rond in de synagoge naar nieuwe gezichten en vraagt de nieuwkomers of zij reeds ergens zijn uitgenodigd om de sabbatsmaaltijd te vieren. Soms wordt hen ook een slaapplaats aangeboden, en blijven zij logeren tot de sabbat afgelopen is. Misschien een tip om ook eens in onze zondagsvieringen uit te proberen..? - Dit verhaal van de verschijning van de HEER - in de gedaante van drie mannen - aan Abraham is voor velen bekend geworden via de icoon van de Russische iconenschilder Andrei Roeblev uit het begin van de 15° eeuw. Daarop zijn drie mannen afgebeeld als gevleugelde engelen. Ze zitten aan een tafel en hebben hun reisstokken nog in de hand. Er staat een schaal met voedsel op tafel. Op de achtergrond zien we de eik van Mamre. Abraham staat er niet op. Hij is naar huis gegaan om de maaltijd te regelen. In broederlijke rust wachten de mannen op zijn terugkeer. Het schilderij laat verschillende interpretaties toe. Algemeen wordt het beschouwd als een oudtestamentische voorafbeelding van de Drievuldigheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Ook op het schilderij van Marc Chagall ‘Abraham en Sara ontvangen de drie mannen’, worden de drie bezoekers aan tafel voorgesteld als drie engelen met vleugels. Voor wie goed toekijkt op dat schilderij, nog een pikant detail: bemerk hoe Abraham met zijn handen tussen de dijen nog de pijn staat te verbijten van de pas gebeurde besnijdenis - Chagall kende zijn Bijbel heel goed én had als elke rechtgeaarde Jood nogal wat zin voor humor..!
- Het is niet toevallig dat aartsvader Abraham zich in de episode van Genesis 18 die hier op volgt zal opwerpen als advocaat voor de rechtvaardigen in de onleefbaar geworden steden Sodom en Gomorra.Zo concretiseert zich in dit merkwaardige hoofdstuk uit het ‘Boek van de Menswording’ (want dat betekent ‘Genesis’) gaan-de-weg steeds meer de roeping van Abraham: gastheer zijn voor de vreemdelingen, advocaat worden van diegenen die dreigen ten onder te gaan in de ‘verziekte’ steden der mensen, uitsluiting en onleefbaarheid met man-en-macht tegengaan (in plaats van alleen maar met de eigen toekomst en overlevingskansen bezig te zijn en al of niet gelukzalig in slaap vallen bij de ingang van je eigen tentje van voorlopigheid…
Oriëntering
EEN CHASSIDISCH VERHAAL
Een man zocht bescherming bij een rabbijn. Hij vertelde hem dat hij voor soldaten op de vlucht was en dat hij gedood zou worden als ze hem vonden. De rabbi besloot de vluchteling onderdak te bieden, maar zijn daad stuitte op weerstand van de
dorpsbewoners. ‘Waarom heb jij die vluchteling gastvrij in je huis opgenomen? Wat gaat er straks met ons gebeuren?’, vroegen zij.
De rabbi wees erop dat de Tora de opdracht geeft vervolgden die met de dood worden bedreigd gastvrijheid te verlenen. De inwoners van het dorp vreesden echter represailles waarbij het hele dorp uitgemoord zou worden. Zij vroegen de rabbi een oplossing te zoeken en de vluchteling uit te leveren.
De hele nacht bestudeerde de rabbi de uitleg van de Tora. Pas toen het al ochtend was, vond hij een tekst die luidt: ‘Omwille van één man hoeft niet het hele volk om te komen.’ Hij las de vluchteling de tekst voor. Op dat ogenblik kwamen de soldaten het dorp binnen en vroegen: ‘Zeg ons waar de vluchteling zich schuilhoudt, anders zullen wij het hele dorp in brand steken’. De rabbi antwoordde: ‘Hier is hij, jullie kunnen over hem beschikken…’ Uitgelaten omdat het gevaar was afgewend, vierden de mensen van het dorp de hele dag feest. Maar de rabbi liet zich niet zien. In zijn kamer staarde hij verdrietig en vol schuldgevoel voor zich uit.
Op dat moment kwam Elia binnen, de profeet die de komst van de Messias aankondigt. Hij zei tot de rabbi: ‘Wat heb jij gedaan?’ De rabbi antwoordde: ‘Ik heb één mens laten omkomen om het hele volk te sparen.’ Daarop zei Elia: ‘Die opgejaagde vluchteling was de Messias.’ ‘Maar hoe kon ik dat in Godsnaam weten ?’, vroeg de rabbi. Elia zei: ‘Als je niet de hele nacht in de boeken had gezocht, maar één keer naar het gezicht van de man had gekeken, dan was het voor jou meteen overduidelijk geworden…'
- Gastvrijheid, zo zien we, leidt tot messiaanse geboorte. En omgekeerd: doorgedreven xenofobie, racisme of ‘apartheid’ in welke vorm dan ook, duwen de geschiedenis in de richting van een onherroepelijk oordeel. Onze westerse beschaving - hoezeer ook getekend door het bijbels-christelijke erfgoed - is duidelijk toe aan een herontdekking van de Abrahamitische gastvrijheid. In de school van Abraham en Sara kunnen we - liefst ook in voortgaande dialoog met het Jodendom en de Islam, die immers bij diezelfde vader Abraham hun ‘mosterd halen’ - terug leren lachen, misschien tot in onze Kerk en onze liturgie toe (merkwaardig genoeg hebben de Romeinse liturgische kalendermakers Sara’s lach uit het verhaal van Genesis 18 dat vandaag gelezen wordt, weggeknipt!)
- De bijbelse mens weet dat elke vreemdeling die het waagt langs de voordeur binnen te komen, niet noodzakelijk een indringer is of een mogelijke vijand (‘hospes’ en ‘hostis’, ‘gast’ en ‘vijand’, zijn in het Latijn met elkaar verwante woorden!), maar ook een verschijningsvorm kan zijn van de Onzichtbare. ‘Beoefen de gastvrijheid,’ zegt de brief aan de Hebreeën, ‘want dank zij haar hebben sommigen ongeweten engelen geherbergd…’
Abraham, die de drie vreemdelingen gastvrijheid verleende, herbergde - zonder het te weten - God zelf. Het is alsof een woord van duizend bladzijden verder zich hier reeds aanmeldt (Matt 25,37): ‘Heer, wanneer heb ik U hongerig gezien en heb ik U gevoed?’ Vreemdelingen, asielzoekers, allochtonen, mensen die op één of andere manier ‘anders’ zijn: in de bijbelse beeldspraak zijn zij altijd de vertegenwoordigers van Gods toekomst, ze dragen een ‘goddelijke openbaring’ in zich, ze zijn de ambassadeurs van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
‘Vluchtelingen en asielzoekers zijn vandaag net als de engelen uit de bijbel. Het zijn boden uit een andere wereld die hier bij ons komen vertellen hoe ze er dààr aan toe zijn. Ze komen met een boodschap van Godswege, met een vraag en een appèl. Ze komen ons ervan verwittigen dat het op deze planeet zo niet verder kan en dat er dringend stappen moeten worden gezet naar een nieuwe wereldordening, waar plaats en ruimte is voor menswording en voor menswaardig leven.
Engelen moet men welkom heten, zegt de Schrift. Engelen moet men altijd zeer gastvrij ontvangen. Engelen moet men onvoorwaardelijk binnenlaten in zijn huis en in zijn hart. Want zij hebben ons altijd iets te zeggen…’ (uit Kering, december 1998). - Helemaal in de spirit van Genesis 18 schrijft Huub OOSTERHUIS in ‘Een huis waar alles woont’: ‘Ik zou graag een keten van huizen zien ontstaan - en aangrenzend: opvanghuizen voor asielzoekers, gastverblijven, kloosters van de eenentwintigste eeuw, communauteiten waar ook ongewone, onmogelijke mensen kunnen wonen; samen met gewone, voor het snelle leven van de komende eeuw iets meer toegeruste mensen. Zou graag een netwerk van huizen zien ontstaan waar het grote ‘land-wij-mensen-alles-voor-allen’ verhaal wordt gelezen, gespeld, gezongen, ondervraagd, uitgelegd, betwijfeld, aangevochten, bepleit, en weer gezongen alsof het leven ervan afhangt.'
S/Preekwijzer
VERGEET DE GASTVRIJHEID NIET…
Het verhaal dat we vandaag als eerste lezing uit de Schrift te horen krijgen, speelt zich af in de omgeving van Mamre, de standplaats waar Abraham en Sara de meeste jaren hebben doorgebracht tijdens hun voorlopig verblijf als zwervende gelukszoekers in Kanaän.
De aartsvader bevindt zich bij de ingang van zijn tent. Hij ‘zit’, wordt er nadrukkelijk gezegd, terwijl hij nochtans van meet af aan de ‘gàànde’ bij uitstek is in de Bijbel. Hij heeft zich bij de pakken neergezet, als het ware. De tocht van zijn leven is totnogtoe lang en vruchteloos geweest. Het is bovendien middag en de zon schijnt ongenadig op het dorre landschap.
Niemand komt op zo’n uur in beweging, iedereen kiest voor ter plaatse rust. Het hele maatschappelijke leven is stilgevallen. En Abraham heeft pijn. Zopas, in hoofdstuk 17 van Genesis, hebben hij en zijn familie de besnijdenis ontvangen, het ‘merkteken’ van hun identiteit. De aartsvader moet er nog aan wennen een ‘eigen volk’ te zijn, drager van een apart geloof, een eigen cultuur en traditie. Hij moet nog met zijn nieuwe status van ‘ware Israëliet’ en ‘uitverkoren volk’ in het reine komen, en is daar zo door benomen dat het hem helemaal op zichzelf terugplooit…
Plotseling echter staan drie mannen voor hem. Vreemdelingen, zomaar te voorschijn gekomen uit niemandsland. Ze hebben zich niet aangemeld, zijn niet genodigd. Maar ze zijn er wel. Het zijn voor Abraham voorlopig mensen zonder naam en zonder gezicht, mensen zonder papieren als het ware. Ze zeggen niets en vragen niets. Gastvrijheid veronderstelt dat men de vragen leest in de zwijgende ogen van de onverwachte ander.
De verteller van het verhaal laat zich geen zand in de ogen strooien, en herkent in die drie vreemde gasten meteen de God van Israël die incognito bij zijn mensen op bezoek komt. En dus laat hij Abraham zonder veel nadenken zeggen: ‘Wees zo welwillend, Heer, uw dienaar niet voorbij te gaan’.
Zijn eerste reactie is verrassend adequaat. Onmiddellijk maakt hij zich klein en dienstbaar. De vreemdelingen krijgen in zijn ogen vanaf het begin (dat is bijbels gesproken ook ‘in begin-sel’) ‘een dimensie van hoogte’ (E. Levinas). En ondanks de hitte van de dag en de napijn van de besnijdenis, buigt hij zich diep en biedt concrete gastvrijheid aan: water om de voeten te verfrissen, een steun voor de rug, een korst brood om op kracht te komen ‘…want gij zijt niet voor niets bij uw dienaar langs gekomen…’ De afstand waar de tekst van rept (‘hij liep van de ingang van zijn tent naar hen toe’ - Gen 18,2) bestaat niet in Abrahams ogen. Het is hem een vreugde als hij - die zelf een vluchteling, een vreemde gast is in het land van God - voor zwervers en asielzoekers gastheer mag zijn. Hij vindt zichzelf een begunstigde, een begenadigde, en de komst van de drie vreemdelingen heeft hem haast automatisch in een beoefenaar van de diaconie getransformeerd, een ‘praktiserende’ gelovige, als het ware.
De oude, vermoeide man komt ineens weer op gang, loopt zich de benen van het lijf en breekt, met de hitte van de middag en de pijn van Gen 17 nog in het lijf, ineens in een hele reeks daden uit. Het onthaal kleedt zich in geuren en kleuren van gulle hartelijkheid. Vader Abraham blijkt een heer te zijn in het menselijk verkeer, een meesterknecht en waterdrager, één die als een engel is voor wie bij hem te gast willen zijn.
Hij laat zijn tent voor wat ze is, verlaat zijn gevestigde positie van ‘waker bij zijn eigen huis en haard’, en maakt ruimte voor het onverwachte. De komst van de ander ontneemt Abraham zijn absoluut eigendomsrecht, en breekt zijn pas verworven identiteit al meteen open. Alles wat hij heeft, heeft hij niet meer alleen voor zichzelf. Hij wil het delen met wie minder heeft.
Vrouwe Sara zet Abrahams drukte en uitbundigheid van woorden in concrete daden om. Zij begint een overvloed van ronde koeken te bakken op de hete stenen, van het fijnste meel; hij neemt zelf het vetgemeste kalf uit de kudde en geeft het aan zijn knecht om het snel klaar te maken. Hoor hoe zij zich drie keer haasten, de aartsvader, zijn vrouw en de knecht, ze zijn al even gehaast als de bijbelse God, van wie verderop in Exodus gezegd wordt dat Hij hoort en ziet en afdaalt omdat Hij de ellende van Zijn volk heeft gezien…
Zodoende wordt ‘huize Abraham’ zienderogen een goed huis, een ware tent van samenkomst. ‘Zomaar een dak, boven wat hoofden; deur die naar stilte open staat. Muren van huid, ramen als ogen, speurend naar hoop en dageraad…’ (uit een lied van H. Oosterhuis). En terwijl zij eten blijft Abraham bij hen staan, onder de boom. (Gen 18,8) De doodvermoeide oude man is bij dit alles weer rechtop gekomen, is ‘opgestaan’ (met dat verrijzenis-werkwoord!) en opnieuw tot leven gekomen. Al staat hij tegelijk ook heel bescheiden ter zijde, veel minder dan vroeger in het centrum van de ik-betrokkenheid, van de zorg om de eigen identiteit en de toekomst van het eigen volk. In het begin van dit tafereel was het precies andersom. Toen zàt Abraham, en de drie mannen stonden zwijgend onder de boom. Er is dus een grondige wijziging van ‘stand-punt’ gekomen in de positiebepaling van de aartsvader. Echte gastvrijheid en ontvankelijkheid voor het/de andere dan ikzelf leiden altijd tot ‘ver-staan’(ook tot zelf-verstaan!) en tot het innemen van een ontvankelijke houding tegenover de ongenode gast…
De drie zijn opgezet met het onthaal van Abraham. Plots echter neemt het verhaal een wending. ‘Ze vroegen hem: waar is Sara, uw vrouw?’ (Gen. 18,8) Dat lijkt pas een nutteloze vraag! Dat weten die mannen toch maar al te goed? Vader Abraham heeft achter zijn tent toch geen automatische keuken geïnstalleerd..? Maar tegelijkertijd is het de enige vraag die iedereen in Genesis reeds hoofdstukken lang bezig houdt: waar blijft Sara? Wat hapert er met haar? Waar wacht ze op om moeder te worden en toekomst te geven aan Abraham en
zijn volk? Deze drie vreemdelingen weten duidelijk van meer. Abraham en Sara hebben er geen flauw benul van dat ze reeds de hele tijd de onuitsprekelijke Heer van alle leven en toekomst in hun midden hebben.
Abraham antwoordde: ‘Daar, in de tent’. Om er van af te zijn. Hij is ineens heel kort van stof. Want wél een identiteit bezitten, maar tegelijk beseffen dat je met die identiteit-op-zich geen toekomst hebt, dat doet al pijn genoeg. Dus is het niet nodig dat die drie vreemdelingen het mes nog eens in de wonde komen draaien.. Op jezelf en je eigen onmacht van alleen-zijn terugvallen maakt je op de duur cynisch en keihard.
‘Toen zei de bezoeker (bemerk: ineens schakelt de verteller weer over op JHWH, in het enkelvoud): over een jaar kom ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw een zoon hebben…’ Daar moest het dus op uit lopen, volgens de Schrift. De gast die zo arm en hulpeloos leek bij zijn eerste verschijning, blijkt uiteindelijk het meest kostbare geschenk bij zich te hebben: dat er toekomst is, nieuw leven, de vervulling van alle beloften die ooit zijn gedaan. Zo gaat dat altijd weer. Waar God de ruimte krijgt, gaat het ook met mensen naar de wijze van God. En wanneer mensen aan een vreemdeling geven wat ze in huis hebben, ontvangen ze soms overvloedig terug wat ze meenden voorgoed te moeten missen.
Het gebeurt allemaal bij de eik van Mamre, en dat betekent: ‘levenskracht’. Tien schriftverzen zijn voor de verteller van Genesis voldoende geweest om het geheim van de gastvrijheid te duiden. Ontvankelijkheid houdt veel beloften in! Het decor van Abrahams leven is ineens grandioos uitvergroot, ver buiten alle proporties van het gangbare of van de menselijke berekening. God mag weten wat de aartsvader straks in huis gaat krijgen. In elk geval, de toekomst staat voor de deur en klopt. Een lange Advent kan straks voor hem beginnen. Sara moet er echt om lachen, en die lach zal tot in de naam van het eerste messiaanse kind weerklinken: ‘Yitzhak’ (‘Isaak’), ‘God heeft ons reden tot lachen gegeven!'