Toen Jezus dit verhaal van de barmhartige Samaritaan vertelde, heeft Hij dat zo gedaan, dat zelfs de eenvoudige mensen de kern van het verhaal gemakkelijk konden verstaan. Iedereen kende de weg van Jeruzalem naar Jericho, iedereen wist wie met die leviet en die Samaritaan bedoeld was. Vandaag zou Jezus deze parabel zeker op een heel andere manier vertellen. Misschien zou Hij ze verteld hebben in ongeveer deze bewoording. Er was een jonge man, die juist zijn rijbewijs gehaald had. Overmoedig als hij was, nam hij met een veel te hoge snelheid de bocht, hij remde, begon te slingeren en kwam hals over kop in een sloot terecht.
Op dat moment kwam juist een pastoor voorbij, hij wist wel: eigenlijk moet ik hier helpen, maar hij was juist op weg naar een begrafenis en hij dacht: ik kan de mensen daar toch niet laten wachten, iemand anders zal de politie en de ambulancedienst wel waarschuwen, en hij reed door. Zijn godsdienstige plichten belet-ten hem te helpen.
Direct daarna kwam een chique mercedes voorbij. De chauffeur keek in de spiegel en dacht: ‘Goddank, niemand achter mij; niemand zal kunnen getuigen dat ik die man niet geholpen heb. Ik kan die bloedende man toch niet in mijn nieuwe auto leggen. Daarvoor betaalt de verzekering zeker niets terug. Wie niet rijden kan, moet maar uit een auto blijven’. Hij drukte op het gaspedaal en reed verder.
Tenslotte kwam een Turkse gastarbeider voorbij in zijn amechtig karretje volgeladen met allerhande bagage, want hij ging op vakantie naar huis. Maar aan al die dingen denkt hij niet; hij stapt direct uit, maakt plaats in zijn auto, legt de bloedende jongen erin, brengt hem direct naar het ziekenhuis en regelt daar alles voor die onbekende.
Die gastarbeider was geen christen, hij wist niets van verzekeringen en ziekenfonds, hij kende ook niet de parabel van de barmhartige Samaritaan, maar hij hielp.
Godsdienst moet zich op eerste plaats bekommeren om de concrete mens in nood. Als iemand in naam van een wet, hoe heilig die ook is, hulp weigert aan iemand die in nood is, dan schiet hij in de wet van de liefde tekort.
Echte liefde mag pijn doen. Wie hulp weigert, kan zich niet verontschuldigen met allerlei voorwendsels: daar moeten de offi-ciële instanties maar voor zorgen, er zijn nog anderen die dat kun-nen doen, ik zou het heel graag doen, maar nu kan ik het niet. De concrete mens in nood gaat voor alles.
De naaste is diegene die je nu juist op dit ogenblik nodig heeft. Het komt er niet op aan van welk ras hij is, welke godsdienst hij belijdt, uit welk milieu hij voortkomt, het enige wat telt en wat voorrang op alles heeft, is dat hij of zij in nood is en geholpen moet worden, niet door anderen, maar door mij, ook als het pijn doet.
‘Doe evenzo…’ doe zoals die Samaritaan. De enige echte Samaritaan is Jezus zelf. Hij is het die de mens ziet die langs de weg ligt, naar hem toegaat en voor hem zorgt. ‘Doe evenzo’ wil voor ons concreet zeggen: doe zoals Jezus je heeft voorgedaan, Onze liefde tot de naaste wordt op dat moment de liefde van Christus voor elke mens in nood. Godsdienst bestaat niet in mooie woorden, maar in een daadwerkelijke zorg voor de mens in nood.
‘Doe evenzo…’ met dat woord zullen wij nooit klaarkomen, maar wij kunnen wel proberen om aan die liefde van Christus gestalte te geven in ons dagelijks leven, door zover te gaan in onze naastenliefde, dat het ons pijn doet. Want echte liefde mag pijn doen.