Hoe maak je het?

C-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

Er was eens iemand die een ander ontmoette. Zij gaven elkaar een hand, en de één zei tegen de ander: ‘Hoe maak je het?’. Die ander zei niet: ‘Goed’. Hij zei ook niet: ‘Slecht’. Evenmin zei hij: ‘Het gaat wel’. Hij zei: ‘Dat hangt ervan af hoe jij het maakt’.

Er was nog iemand anders die een ander ontmoette. Zij gaven elkaar een hand, en de één vroeg aan de ander: ‘Hoe maak je het?’. Die ander zei: ‘Best, want er zijn zestig woningen klaar gekomen’. ‘Zit jij dan op een huis te wachten?’, vroeg de één. ‘Hoezo? Dat heb ik toch niet gezegd’, zei de ander. ‘Wel ik dacht het, omdat je zei dat je het best maakte omdat er zestig huizen klaar zijn’.
Die ene haalde zijn schouders op. Hij maakte het best omdat er zestig gezinnen een huis hadden gekregen. Is dat nu zo’n onzin? Die anderen zijn toch geen lucht voor mij? En zelfs al waren ze dat, dan nog mag het mij niet onverschillig laten hoe zij het maken. In ons luchtvervuilde milieu zijn zij toch de zuivere lucht die wij inademen. Wij hebben met hen te maken.
Daarom is het zo gek niet op de vraag: ‘Hoe maak je het’ te antwoorden: ‘Dat hangt ervan af hoe jij het maakt’. Als jij het goed maakt, is dat een reden om het ook goed te maken. Als jij het niet goed maakt, is dat een reden om het niet goed te maken. Wij zijn nu eenmaal communicerende vaten. De moderne communicatiemiddelen hebben ons dit alleen maar nog duidelijker gemaakt. Of wij het goed maken, hangt ook af van de vraag hoe ze het in Irak, in Kaapstad en in Ethiopië maken. Het bestaat niet meer dat ik alleen, op mijn eigen houtje, gelukkig zit te zijn. Wij kunnen het alleen maar goed maken als wij het met z’n allen goed maken.

Als ons dit ooit duidelijk is gezegd, dan is het in de parabel die Jezus vertelde over de man die in handen van rovers was gevallen.
De priester die langskwam, gunde zich geen tijd om naar die man om te kijken. De leviet gunde zich ook geen tijd. Maar de Samaritaan gunde zich wel tijd. En eigenlijk was hij degene die er het minst voor in aanmerking kwam. Hij had geen band met het slachtoffer. Hij behoorde niet tot dezelfde kerk. Hij behoorde niet tot hetzelfde volk. Dat was bij de priester en de leviet wel het geval. Maar die gingen hem voorbij in hun mentaliteit van ieder voor zich en God (misschien) voor ons allen.
We behoeven ons niet af te vragen wie van de drie zich het gelukkigst voelde. Dat antwoord is niet zo moeilijk. De vraag die zich nu bij ons opdringt, is deze. Wat zouden wij doen als een kind van onze buren van honger dreigde te sterven? Wij zouden er onmiddellijk naartoe lopen met eten. Wat zouden wij doen als een kind van een straat verder hetzelfde had? Wij zouden er met een zekere aarzeling naartoe lopen. Wat zouden wij doen als het een kind was uit een andere plaats? Wij zouden daar schande van spreken. Wat zouden wij doen als het een kind was uit een ander land? Wij zouden meewarig ons hoofd schudden. Wat zouden wij doen als het een kind uit Ethiopië was? Kunnen wij een excuus bedenken om in dit laatste geval het kind het kind te laten? Misschien zeggen we: ‘Hoe moeten wij in Gods naam in dat geval helpen? Welke organisatie is te vertrouwen? Waar is er geen strijkstok waar zoveel aan blijft hangen?’.

Wij leven momenteel in een cultuur van wantrouwen. Nog nooit tevoren hadden we zoveel sloten op onze deur. Er is zelfs een hele veiligheidsindustrie gekomen, die grote omzetten haalt. Wantrouwen hangt in de lucht. Wij voelen ons teleurgesteld. Als je jezelf aan iets of iemand hebt toevertrouwd, en dat eindigt in een desillusie, dan roept dat een groot wantrouwen op. Als een oprechte vriendschap eindigt in een ruzie om niets, en als je dat tien keer hebt meegemaakt, dan ben je geneigd aan niemand meer je vriendschap te geven. En als je ziet hoe voor een liefdadigheidsactie een quiz wordt gehouden met een dure auto als hoofdprijs, dan vraag je je af: heb ik daaraan mijn geld gegeven? Welke organisatie is voor honderd procent te vertrouwen?
En daar komt nog een grote desillusie bij die wij de laatste jaren te verwerken hebben gekregen. Hoevelen van ons hebben in de jaren zestig, toen paus Johannes XXIII de deuren en ramen van de kerk openzette, hun enthousiasme gegeven aan de kerk? En nu moeten we zien hoe die deuren en ramen stuk voor stuk zijn dichtgeslagen. Dat is een grote teleurstelling, die je ervan weerhoudt om nog eens je enthousiasme te geven. En hoevelen van ons hebben hun vertrouwen gegeven aan de techniek, die ons van alles beloofde, maar die nu een grote aanslag pleegt op ons milieu, zelfs zodanig dat het bestaan van onze planeet in gevaar komt.
Ja, het valt te begrijpen dat wij vol wantrouwen zitten. En wie wantrouwend is, bouwt een muur om zich heen. Hij is alleen nog te bewegen iets te doen als het direct nut heeft, en dan nog alleen voor zichzelf. De vraag die we elkaar stellen: ‘Hoe maak je het?’, wordt beantwoord met een nietszeggend: ‘O, dat gaat wel’. Want niemand durft te zeggen hoe het werkelijk met hem gaat. Is er geen remedie tegen dit wantrouwen? Als onze onbevangenheid vernietigd is, is het inderdaad hopeloos.

Kan Jezus met zijn idealen ons helpen? Hij was in ieder geval iemand die ons nooit zand in de ogen heeft gestrooid. En Hij vraagt om ook voor dat kind in Ethiopië te zorgen. Ook al zou er iets aan de strijkstok blijven hangen. Dat is tenslotte niet onze verantwoordelijkheid. Daar zullen anderen verantwoording voor moeten afleggen. Bidden wij tot Hem dat velen de vraag: ‘Hoe maak je het?’ zullen beantwoorden met: ‘Best, want er zijn weer zestig woningen gebouwd’. En dat ook velen zullen antwoorden: ‘Dat hangt ervan af hoe jij het maakt’.

Zoeken in Preken Online