15e zondag door het jaar C - 2004

C-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

Als Jezus iets wil meedelen aan de mensen doet hij dat vaak onder de vorm van parabels. Parabels zijn verhalen gegrepen uit de werkelijkheid en die altijd een reactie van de toehoorders veronderstellen. Het bevat altijd verrassende elementen: gebeurtenissen die anders verlopen dan we normaal zouden verwachten, personages die ons wel eens in de war kunnen brengen en die vragen oproepen.

Zo het verhaal van de barmhartige Samaritaan. We weten dat Israëlieten niet wilden en niet mochten omgaan met Samaritanen. Al sinds vijf eeuwen bestond er onenigheid tussen hen o.a. om religieuze redenen. De Samaritanen waren volgens hen halve heidenen die God aanbaden in een andere tempel dan die van Jeruzalem. Het doet me zo een beetje denken aan Israëliërs en Palestijnen. Die mensen spreken ook niet met elkaar. Dat is het ergste wat er kan gebeuren in een land waar mensen met elkaar moeten leven. Wanneer er over problemen niet gesproken wordt dan wordt erom gevochten.

In het evangelie van vandaag is het verrassende element dat Jezus een Samaritaan als voorbeeld voor Israëliërs afschildert. Stel je voor dat men nu in een Synagoge met lof zou spreken over Palestijnen of in een moskee een Israëliër als voorbeeld zou stellen: het zou hevige reacties teweeg brengen. Of denk maar even aan toestanden in ons land tijdens de oorlog: wie zou het aangedurfd hebben om een Duitser om een of andere reden als voorbeeld te stellen van mensen uit de weerstand.

Wel zoiets doet Jezus wel. Hij neemt een Samaritaan als voorbeeld voor zijn leerlingen. Wat erger is: Jezus vergelijkt die Samaritaan met vooraanstaanden uit de Joodse gemeenschap: een priester en een leviet. Jezus speelt hier echt met vuur door zoiets te doen. Hij spreekt straffe taal!

Jullie kennen het verhaal. De sukkelaar, waarober het partabel het heeft, ligt halfdood te zieltogen aan de rand van de weg. De priester die voorbijkomt en op weg is naar de tempel van Jeruzalem ziet de man en maakt dat hij wegkomt. Veronderstel eens dat die gekwetste in zijn armen zou sterven, dan zou hij volgens de wet onrein geworden zijn en de dienst in de tempel niet mogen verzekeren. [Dat doet me denken aan iemand die thuis een zware zieke heeft en die deze op een zondagmorgen niet zou willen verzorgen omwille van de zondagsplicht.]

De leviet is een dienaar in de tempel en doet zoals zijn meester, de priester. Hij laat de arme man creperen en gaat met een gerust geweten verder naar Jeruzalem. Hij denkt dat de dienst van God primeert op de dienst van de mensen.

Jullie kunnen het geloven of niet: de toehoorders van Jezus zullen in die tijd zeker akkoord gegaan zijn met de houding van die twee mannen. Ze handelden immers volgens de godsdienstige wet.

En dan neemt het verhaal een verrassende wending: er komt in het verhaal geen goede Israëliet die de arme man komt verzorgen maar wel een Samaritaan. Die man - die iedereen moet mijden - steekt de handen uit de mouwen en begint onmiddellijk met het verzorgen van die arme stakker. Hij giet olie en wijn op de wonden, een ontsmettingsmiddel van die tijd. Hij nam hem toen op en bracht hem naar een herberg in de stad. En daar betaalt hij de kosten voor de verzorgen van die sukkelaar. Geen woorden maar daden, zou Cardijn gezegd hebben.

Let nu wel op. Jezus vraagt niet: ‘wie was de naaste van die priester, van die Leviet, van die Samaritaan?’ Jezus vraagt: wie is de naaste van die arme stumper? En de schriftgeleerde moet antwoorden: diegene die hem verzorgd heeft… Hij kan het over zijn hart niet krijgen te zeggen: zijn naaste is die Samaritaan.

Wij stellen ons vaak de vraag wie onze naaste is: en dan denken we aan onze buur, of zelfs de bedelaar die we in de stad langs de straat zien. Of de slachtoffers van de burgeroorlog in Soedan, waarover we in het parochieblad iets schreven… Wij denken dan: zij zijn onze naaste.

Maar Jezus draait de vraag om. Hij leert ons vandaag niet te vragen: ‘wie is dan mijn naaste wel en wie niet? Wie moet ik beminnen en wie niet?’ Maar wel: ‘welke mens in nood kom ik vandaag tegen, die ik mag beminnen en concreet helpen, zodat ik misschien zijn naaste kan worden?’

Hiermee raken wij de kern van het christendom: het christendom is geen “leer” zoals het Boeddhisme; het is ook geen ‘wet’ zoals het Jodendom; maar het is een ‘gebeuren’… Er moet iets beleefd worden. Er moet iets gedaan worden in onze relatie met God en met de mensen. Over alle vooroordelen heen moeten we de mensen in nood bijstaan. Hun naaste worden. Dat is de kern van ons geloof.

De vraag is dus niet: ‘wie is mijn naaste?’ Maar wel: ‘wie van ons zal de naaste zijn voor dat Soedanese kind met honger? Wie van ons zal de naaste zijn van die eenzame of van die zieke in onze buurt? Wie van ons zal de naaste zijn voor die huilende man, voor die huilende vrouw die hun miserie komen uitwenen?’

Maar ons geloof geeft aan die dienstbaarheid van de naasten een heel bijzondere meerwaarde. In Matteüs 25, bij de beschrijving van het Laatste Oordeel staat dat we het hart van God raken als we de naaste zijn van de minsten der zijnen. ‘Wat gij aan de kleinsten der mijnen doet, doet ge aan Mij.’

Godsdienst bestaat niet in de eerste plaats in mooie woorden, mooie vieringen met mooie teksten en mooie gezangen. De allereerste eis van onze dienst van God is de dienst van de mensen. Daarover moeten we geen theorieën verkopen. We moeten het doen.

met inspiratie uit ‘van alles’\

Zoeken in Preken Online