Waartoe zijn wij op aarde?
Een paar weken geleden bezocht ik een oudere vrouw, die aan haar laatste levensjaren toe is. Ze vertelde over haar leven, over herinneringen aan de oorlogstijd die naarmate ze ouder werd steeds meer boven kwamen, over een kindje dat vlak na de geboorte stierf, over haar huwelijk en het overlijden van haar man. “En nu ben ik straks aan de beurt”, zei ze. “Ik vraag me wel eens af of er straks nog wat zal zijn, maar ik ben vooral bezig met de vraag of ik wel goed genoeg geleefd heb.” We spraken er over door. Waarom zou ze niet goed geleefd hebben? Daarbij, wanneer is dat goed, wat moet je daarvoor doen, of wat moet je daarvoor laten? En wanneer schiet je eigenlijk tekort? Waar gaat het om in ons leven? “Waar leven we eigenlijk voor?” zo vatte de vrouw samen. En ze vertelde dat ze daarover ook wel eens met haar protestantse buurvrouw sprak, die haar ten gevraagd had: “lees je wel eens in de bijbel? Daar vind je de antwoorden.” Maar bijbellezen is katholieken van hoge leeftijd niet zo vertrouwd. Wij hadden onze dagelijkse gebeden en oefeningen, en wij hadden de katechismus. En ja, de eerste vraag van die katechismus, daarover ging het eigenlijk: “Waartoe zijn wij op aarde?” Ik had het nog niet gezegd of het antwoord klonk al: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen”, “naderhand is dat nog veranderd: om hier en in het hiernamaals gelukkig te worden”, zei ze.\
Waar leef ik voor?
Waar leef ik eigenlijk voor? En vind je het antwoord daarop in de bijbel? De lezingen die we vandaag hoorden sluiten wel heel erg aan bij deze vragen.
“Waar leef ik eigenlijk voor? Waartoe zijn wij op aarde? Wat moet ik doen om gelukkig te worden?” De wetgeleerde die Jezus aansprak in het evangelie stelde diezelfde vraag: “Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?”
En als in het vertrouwde vraag- en antwoordspel uit de katechismus vraagt Jezus hem terug: “wat staat daarover in de wet?” En de geleerde blijkt het antwoord zo op te kunnen zeggen “Je moet God beminnen met alles wat je hebt en kan, en je naaste beminnen als je zelf”.\
Ik doorbroken
Wat opvalt is hoe Jezus de ik-gerichtheid van de wetgeleerde doorbreekt: Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven, wat moet ik doen zodat ik gelukkig word; alsof het allemaal om mij gaat. Zo lijkt het ook vaak als we om ons heen kijken. Iedereen is alsmaar bezig om voor zichzelf geluk te vinden: ander werk, een andere partner, een ander huis