De gevaarlijke weg
‘Ga dan, en doe voortaan net als hij.’ Die woorden betekenen een uitnodiging om te bouwen aan een maatschappij die nu nog niet bestaat. Laten we dit, met een groot woord, christelijke politiek noemen. Het is meer dan het managen van de samenleving en het regelen van met elkaar strijdige belangen. Het ‘christelijk geweten’, zoals het dan heet, en ‘de nieuwe verantwoordelijkheid van de politiek’ moeten altijd gericht zijn op de toekomst. Ze laten hun invloed gelden tot in een samenleving waarin de vreemdeling, de buitenlander en de arme werkelijk onze naasten zijn. Ze zijn gericht op het Koninkrijk. Dat Koninkrijk zal komen als een onverdiend geschenk, dat al onze verbeelding te boven gaat. Politiek werd ooit omschreven als ‘de kunst van het mogelijke’. Christelijke politiek wordt gekenmerkt door de hoop op wat veel mensen voor onmogelijk houden. Wij wagen het erop te streven naar een gemeenschap die buiten ons bereik ligt. Christelijke politiek is de kunst van het onmogelijke.
Uiteindelijk betekent dit dat we de bekrompen identiteit die ons van elkaar scheidt, opgeven. De parabel gaat over een reis die de identiteit van de deelnemers verandert. De man die wordt aangevallen door de rovers wordt gewoon ’een zekere man’ genoemd. Er wordt niet gezegd of hij jood of Samaritaan, Brit of Italiaan is. Hij is elk van ons, elke mens. En als Jezus vraagt wie de naaste werd van de gewonde man, antwoordt de wetgeleerde niet: ‘de Samaritaan.’ Hij zegt alleen: ‘diegene die hem barmhartigheid betoonde’. Ook de Samaritaan wordt van zijn bekrompen identiteit van ketter bevrijd. Het verhaal begint als een verhaal van joden en Samaritanen en eindigt als dat van twee mensen. Degenen die hun oorspronkelijke identiteit bewaren, de priester en de leviet, komen alleen maar voorbij. Van de gelegenheid om een nieuwe manier van menszijn te ontdekken profiteren zij niet. Zij gaan voorbij, maar blijven gevangen in hun oude identiteit.
Bemin je naaste als jezelf. Dat betekent veel meer dan: bemin je naaste zoveel als jezelf. We worden uitgenodigd onze naaste te beminnen als een stuk van onszelf. We beminnen de leden van onze familie als onszelf omdat ze een deel zijn van wie wij zijn. Wij zijn