We hebben weer een paar verhalen gehoord waarvan we mogen zeggen: “Ze zeen de kal neet waerd!”
In beide verhalen gaat het over roeping. In het eerste verhaal werpt Elia, een profeet, zijn mantel toe aan Elisa, een boer die aan het ploegen was. Hij was een boer in goeden doen want hij had twaalf koppels ossen voor zijn ploeg gespannen. Dat zal wel gelijk staan aan een hele grote en sterke tractor. Dat laat je niet zomaar achter, zou je denken. Toch is dat wat de profeet van hem verwacht als hij hem zijn mantel toewerpt.
Eerst nog iets over het verzoek van Jakobus en Johannes in het evangelieverhaal. Zij stelden Jezus voor vuur van de hemel af te roepen om de Samaritanen te verdelgen die Jezus en zijn gezelschap niet wilden ontvangen. Het doet me aan de toestand op de Balkan denken!
Toch waren die twee in goed gezelschap: hoe vaak horen we niet in de bijbel dat God opdracht geeft om steden te verdelgen en God zelf liet Soma en Gomorra met vuur en zwavel verwoesten.
Dan horen we hoe twee mensen op Jezus afkomen die hem willen volgen en zelf roept hij een derde man. Opvallend dat het getal drie hier weer verschijnt.
En nu over “roeping.” Bij dat woord hebben katholieken de gedachte dat God iemand wegroept uit het normale mensenleven om priester te worden of het klooster in te gaan. Alsof God zo iemand helemaal voor zichzelf opeist en dwingt om van de andere mensen, “de wereld,” afstand te nemen. God wordt dan gezien als een hogere macht die zich met iedere mens persoonlijk bezig houdt: jij dit en jij dat.
De drie uitspraken van Jezus die we gehoord hebben, geven wel aanleiding om zo over “roeping” te denken. De eerste die hem wil volgen, krijgt te horen: “Vossen hebben holen en vogels hun nesten maar de mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen.” Tegen de tweede, die eerst zijn vader wil begraven, zegt hij: “Laat de doden hun doden begraven.” En de derde, die eerst afscheid wil nemen van zijn familie, krijgt van Jezus te horen: “Wie de hand aan de ploeg slaat, maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het Rijk Gods.”
Tegenwoordig denken mensen eerder dat God niets anders is dan het waardevolle en het goede in de mens, dat God niet in de wolken leeft maar in de harten van de mensen en in de gemeenschap telkens als die haar hart laat zien.
Roeping houdt dan in dat mensen zelf zin proberen te geven aan hun leven en dat God hen niet van de weg aftrekt en zegt: “Jij bent van mij alleen.”
Telkens als we iets voelen kriebelen in ons dat ons blij maakt, dat ons uitnodigt om even te stoppen en ons af te vragen wat ik hier kan doen, hebben we “roeping.”
Even stoppen, even de ander, het andere, tot ons laten doordringen, dat is een goede manier om zich te laten roepen. Stug doorgaan met wat we al vijftig jaar doen en wat ooit een “roeping” geweest kan zijn, vraagt er om dat we eindelijk eens stilstaan. Zijn we op die manier God nog aan het dienen? Kan het zijn dat God intussen heel anders geworden is en ons roept tot heel andere dingen?
" De boer, hij ploegde voort." Dat is mooi voor een schilderijtje maar brengt dat nog wat op?
Stug doorgaan, maakt dat ons gelukkiger, maakt dat onze gemeenschap hartelijker en veiliger?
Tegen die achtergrond krijgen die vreemde uitspraken van Jezus een nieuwe zin: de zekerheid van het oude geloof en de oude leerstellingen, stevig als beton, kunnen ons niet meer als zacht kussen dienen. De doden achterlaten is hard, en graag blijven we vasthouden aan als die mooie oude dingen. Maar de kerk is geen museum, en God is geen museumdirecteur, wel een ontdekkingsreiziger die onderweg is om te ontdekken wat voor moois er in ons en onze gemeenschap nog verborgen ligt te wachten. Met zo iemand onderweg gaan? Dat is een roeping.
Dat het zo moge worden.
13e zondag door het jaar (2004)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 13e zondag · groen