13e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 13e zondag · groen

Homilie op de 12e zondag door het jaar C: “Wie zegt gij dat Ik ben?

(Lc. 9, 18-24)

Tielt, 23 juni 2013

Mensen hechten bijzonder veel belang aan wat anderen over hen denken en zeggen. Of ze hen b.v. mooi vinden: knap van gestalte, niet te dik, niet te slank, niet te wit, niet te bruin. Sommige vrouwen hebben een enorm budget nodig voor schoonheidsproducten, schoonheidsmassages, zonnebanken, enz… en de plastische chirurgen doen goede zaken met facelift-s, het wegwerken van wat het menselijk lichaam ontsiert en het bijwerken waar nodig. Zelfs de ouderdom wordt weggeschminkt zodat je de moeders van de dochters niet meer kunt onderscheiden. Dat alles mag. Het is prettiger op iets moois te kijken dan op wat lelijk is. Het is enkel jammer dat mensen veelal enkel op hun uiterlijk worden beoordeeld.

Wat de anderen denken over hun innerlijk vinden mensen ook wel belangrijk. Graag vernemen ze b.v. of ze sympathiek zijn, of ze, zonder hoogmoedig te lijken, toch voldoende respect afdwingen door hun knap verstand en veelzijdige talenten, of ze te babbelziek of te gesloten zijn, of hun lach natuurlijk of kunstmatig is, enz… De grote filosoof Schopenhauer zei reeds, 2 eeuwen geleden, dat het nauwelijks te begrijpen is hoezeer mensen zich innerlijk kunnen verheugen van zodra ze merken dat anderen over hen iets goeds denken. “Dan worden ze als katten die beginnen te spinnen wanneer ze worden gestreeld”, zei hij. Mensen daarentegen, die vermoeden dat ze slecht overkomen bij anderen, gaan soms kapot aan gevoelens van depressie of minderwaardigheid.

In de evangelielezing, die we zopas beluisterd hebben, stelt ook Jezus de vraag: “Wat zeggen de mensen over Mij?” Lucas plaatst dat gesprek ongeveer in het midden van heel Jezus’ optreden, op het ogenblik dat Hij samen met Zijn leerlingen naar Jerusalem zal vertrekken. Maar Jezus stelt die vraag niet uit nieuwsgierigheid, maar omdat Hij vindt dat het de hoogste tijd is dat Zijn volgelingen klaar zouden inzien wie zij volgen, wat ze als leerlingen van Hem mogen verwachten en hoe ze moeten leven.

Als goede opvoeder forceert Jezus Zijn leerlingen niet, maar Hij volgt de weg van de geleidelijkheid. Daarom vraagt Hij eerst wat de mensen over Hem denken. Zo moeten Zijn leerlingen niet onmiddellijk zelf kleur bekennen.

Ze antwoordden dan ook met aan Jezus bekende traditionele titels toe te kennen. Wij zouden vandaag zeggen: een wijsgeer, een moreel enigszins revolutionaire hervormer, een goeroe, een profeet, een held, misschien zelfs een soort superstar. Dat is allemaal voor een deel juist. Indien alle mensen op de hele wereld zich zouden spiegelen aan Jezus’ voorbeeld en Zijn levensregels zouden volgen, zou de hele wereld er meteen anders uitzien. Maar die antwoorden van de leerlingen zijn niet erg persoonlijk en eigenlijk vrijblijvend.

Daarom vraagt Jezus op de man af: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Als Petrus dan met de beste bedoelingen heel raak antwoordt “U bent de Gezalfde van God”, legt Jezus hem onmiddellijk het zwijgen op, omdat Hij vreest dat die term te veel valse verwachtingen wekt van succes, macht en spectaculair optreden of ingrijpen. Jezus stelt onmiddellijk heel duidelijk dat Zijn weg er een is van lijden en mislukking, van het leven winnen door het te verliezen, van nieuwe wegen banen en eraan kapotgaan. Zijn leer van radicale liefde zal op verzet en tegenkanting stuiten. Trouw aan die liefde betekent: standvastig blijven in de houding van liefhebben zonder terug te vragen en daarbij aanvaarden dat je uitgestoten en als naïeveling uitgescholden wordt.

Als gelovigen moeten wij, net als de apostelen, nog een hele weg afleggen om Jezus’ weg te aanvaarden en zonder wrok te bewandelen. Indien wij zouden geloven in die Jezus, dan zouden onze ogen de problemen rondom ons sterk relativeren en heel anders zien. Dan zouden we niet verwonderd zijn dat mensen die Jezus’ weg pogen te volgen, maar een kleine groep, “een kleine kudde”, zijn zoals Jezus ons in het evangelie voorspeld heeft. Dan zouden wij er niet over jammeren dat de tijd van de volle kerken voorbij is. Ik weet zelfs niet of de kerken vroeger ooit bomvol zaten met echt diepgelovige mensen. Als wij zouden geloven wat Jezus ons vandaag in het evangelie zegt, dan zouden we het niet erg vinden dat de Kerk op onze dagen een toontje lager moet zingen. Want Jezus heeft nooit gezegd dat de kerk altijd het hoogste en laatste woord moet hebben en dat haar uitspraken zullen geloofd en gevolgd worden.

Als we echt zouden geloven in die Jezus die ons gezegd heeft dat “wie Zijn volgeling wil zijn, zichzelf moet verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis moet opnemen”, dan zouden we niet ontmoedigd zijn als velen ons bekijken als dom, naïef of ouderwets omwille van ons geloof of omdat we het leed van onze medemens thuis, in onze familie, onze buurt, onze vriendenkring of waar ook ter wereld durven zien, horen, voelen of raden en ons geroepen voelen om daar onze schouders onder te steken.

Dan zouden we niet kapotgaan aan wat de mensen over ons denken, zeggen of schrijven.

De hamvraag ook op onze dagen van grote geloofscrisis blijft Jezus’ vraag aan elk van ons: “Wie zeg jij dat Ik ben?”

Het is broodnodig en het loont de moeite ons daarover biddend te bezinnen. Het zou veel gezaag over het geloof en over de Kerk voorkomen en ons veel krampachtigheid besparen.

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online