Zusters en broeders,
De laatste 30-40 jaar is er zowel maatschappelijk als religieus-kerkelijk enorm veel veranderd. Oude zekerheden en oude gewoonten zijn verdwenen of langzaam weggestorven, nieuwe onzekerheden zijn opgedoken. Kerkelijk gezien denk ik bijvoorbeeld aan de vernieuwde liturgie, aan het dalende aantal priesters, aan de leegloop van de kerken. En als we het meer op het individu, de mens apart betrekken, dan zien we bijvoorbeeld dat het schuldbesef veel minder speelt dan vroeger. Velen hebben het er tegenwoordig inderdaad moeilijk mee het eigen falen en eigen fouten toe te geven. Zo een beetje zoals Dutroux: alles is de schuld van anderen, hijzelf is zo onschuldig als een eerstecommuniecant. Of zoals veel politici. Zij zeggen dat het aan de kiezers ligt als een bepaalde politieke partij altijd maar blijft winnen.
Naast het schuldbesef lijkt me ook iets anders sterk op de terugweg, iets dat nochtans eeuwenlang een stille kracht was in elke christelijke gemeenschap en in elk christelijke gezin. Ik bedoel het gebed. Ik herinner me de tijd dat er in elk gezin bij het opstaan en het slapengaan, en voor en na het eten werd gebeden, dat in de meimaand de straat of de wijk elke avond samenkwam om te bidden rond het Mariakapelletje, dat elke gemeenschap in zekere mate een biddende gemeenschap was. Die tijd lijkt nu lang voorbij. Bidden lijkt minder en minder deel uit te maken van het christelijke bestaan als dusdanig.
Zusters en broeders, ik vertel dit omdat ik in de evangelielezing van vandaag vooral werd getroffen door het openingszinnetje: “Toen Jezus eens alleen aan het bidden was.” Het is een zinnetje dat in de Bijbel zo dikwijls terugkomt dat je het een echozinnetje zou kunnen noemen: het herhaalt zichzelf voortdurend, en je wordt er zo aan gewoon dat je er overheen leest. Welnu, ik denk dat dit fout is, want het leert ons dat Jezus niet alleen op een uitzonderlijke, maar ook op een biddende manier door het leven ging. Sommige van zijn gebeden zijn overgeleverd. Het Onze Vader natuurlijk, het basisgebed van de christenen. Een gebed dat alles omvat: loven, prijzen, danken, vragen. Dezelfde dingen die ook in de andere gebeden van Jezus voorkomen: Hij looft en eert zijn Vader; Hij dankt Hem voor alles wat Hijzelf krijgt, en voor de zorg waarmee Hij zijn schepping omringt; Hij vraagt Hem om hulp in allerlei omstandigheden.
Zusters en broeders, ik dacht bij het lezen van dit ene zinnetje ook terug aan een kleine anekdote. Ongeveer drie maanden geleden kreeg ik vanuit Nederland een e-mail van een jonge islamitische vrouw. Ze was voor haar Nederlandse schoonmoeder op zoek naar het Weesgegroet. Haar schoonmoeder behoort tot een van de protestantse kerken in Nederland, en zoals je weet, speelt Maria in het protestantse gelovige leven niet dezelfde rol als in het katholicisme. Kort gezegd: van Mariaverering is daar geen sprake. Maar die protestantse vrouw wilde Maria wel vereren, en ze wilde ook tot haar kunnen bidden. Dus bezorgde ik het Weesgegroet, en meteen ook maar het Onze Vader. Een dag later kreeg ik een blij dankwoordje, en ook een nieuwe vraag: of ik niet een goed katholiek gebedenboek kende, niet voor de schoonmoeder ditmaal, maar voor de jonge islamitische vrouw zelf. Want zij voelde zich aangetrokken tot het katholieke geloof en tot de katholieke liturgie en tot de katholieke gebeden. En ik dacht bij mezelf: velen onder ons zijn het gebed aan het verliezen, en anderen, niet-katholieken, hebben er juist nood aan. Gods wegen zijn inderdaad ondoorgrondelijk.
Ik keer nog even terug naar de Heilige Schrift. Op zeker ogenblik vragen de leerlingen aan Jezus: “Heer, leer ons bidden.” Zusters en broeders, vind je dat niet merkwaardig? De apostelen zien hoe Jezus blinden laat zien, doven laat horen, melaatsen reinigt, kreupelen laat lopen, hongerigen spijzigt. Allemaal dingen die ze toch met wijdopen ogen van verwondering en bewondering moeten hebben gade geslagen. En toch vragen ze Hem niet hun de kracht te bezorgen om dat ook allemaal te kunnen doen. Nee, ze vragen Hem hun te leren bidden. Blijkbaar maakte zijn bidden nog meer indruk op hen dan de vele wonderen die Hij verrichtte. Als ik me niet vergis is het trouwens de enige keer dat ze Hem rechtstreeks vragen hun iets te leren. Bidden dus. En die apostelen, dat waren geen pilarenbijters, geen seuten en ook geen kwezels, nee, dat waren jonge mannen die in het volle leven stonden, en die elke dag moesten werken om te kunnen leven. Mensen dus als jij en ik, geen heiligen van in de wieg. En toch vragen ze de Heer hun te leren bidden.
Laten we dat ook doen, zusters en broeders. Uit het diepste van ons hart vragen dat Hij ons zou leren bidden, of misschien opnieuw zou leren bidden. Om Hem te loven en te eren om wie Hij is, om Hem te danken om wie Hij voor ons wil zijn, om Hem te vragen dat Hij ons zou bijstaan in wat we doen en denken. Bidden zoals Jezus heeft gebeden. Amen.