De droom van Paulus (2004)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 12e zondag · groen

Ik weet niet of je het enthousiasme geproefd hebt waarmee Paulus de tekst van onze eerste lezing neerpende. “Er is geen jood of Griek meer; het onderscheid tussen slaaf en vrije is weggeval­len; man- of vrouw-zijn doet niet meer terzake. Wij zijn alle­maal gelijk, vol­waardig, au sérieux te nemen.” Kunnen wij, twintig eeuwen later, nog iets van dat Paulus-enthousiasme invoelen? Dat hangt er vanaf, denk ik.

Wie het moeten zien te rooien in de marge van de samenleving, in arme landen waar men met verbaasde ogen naar TV-beelden uit het rijke noorden zit te staren, wie met een warm hart zich inzet voor ‘de minsten van mijn broeders’ zoals Jezus ze ooit noemde (Mt. 25,40) – voor dat soort mensen is het wellicht niet zo moeilijk om met Paulus mee te dromen over een samenleving waar de onderkant geen onder­kant meer is, waar iedereen vanzelfsprekend ieders gelijke is. Zij kunnen aanvoelen dat Paulus droomt over een hemel op aarde.

Maar wie zich ergeren aan de daling van de markt­waarde van de huizen in wijken waar allochtonen komen samenhokken, nog zitten te dubben of ze wel of geen gebruik zullen maken van de aangeboden fiscale amnestie, zij die alles hebben en niets meer te dromen hebben - in hun oren klinken de woorden van Paulus naïef, irreëel, hele­maal niet hemel-op-aarde-achtig.

Zo zie je maar hoe de eigen maatschappelijke situatie mee bepalend kan zijn voor wat een bijbelpassage bij jou oproept.

Wat Paulus betreft, hij heeft een ontdekking gedaan en zijn enthousiasme is niet te stuiten. Veel meer nog dan wij nu, leefde hij in een hokjes-samenleving: als jood ging je niet aan tafel met een niet-jood; de kloof tussen slaaf en vrije was onoverkomelijk; mannen- en vrouwenwe­reld waren toen volledig gescheiden. Welnu zegt Paulus, al die verschillen, al die grenzen tussen mensen kunnen en mogen ons leven niet domineren. We hebben maar één Heer, de Christus; maar één leidsman, de Messias. Wie Jezus echt wil navolgen kent maar één scheidslijn, die tussen liefde en liefdeloos­heid. Uiteraard zijn die oude grenzen en verschillen nog niet verdwenen en veroorzaken ze nog tal van problemen - maar ze mogen ons leven niet be­heersen; we mogen er niet langer waarde-oorde­len aan verbinden. In het licht van de Jezus-boodschap zijn we allemaal gelijkwaardig. De liefde waarmee Jezus iedere mens accepteerde zoals hij was, roept ons ertoe op hetzelfde te doen. De skinhead die weerzin oproept, de ongewas­sen dakloze die stinkt, het moslimmeis­je met hoofddoek, ze zijn mens zoals u en ik – ook zij zijn op zoek, elk op zijn of haar manier, naar liefde, naar erkenning en geborgenheid. Durf contact met hen leggen en dan ontdekt je wellicht dingen die je aan het denken zetten.

Voor Paulus zijn mensen­rechten een vanzelf­sprekende leidraad in het dagdagelijkse doen en laten van een christen. [Dit christelijk plei­dooi voor mensenrechten is 1900 jaar ouder dan de moderne Verklaring van de Rech­ten van de Mens!]

Wat Paulus voor ogen stond was niet dat alles één pot nat moest zijn. Hij pleit niet voor een samenleving of voor een kerk waarin iedereen hetzelfde denkt, hetzelfde voelt, hetzelfde doet. Hij wil de verschillen niet wegvlakken; hij wil wel dat, in hun verschillend-zijn, joden en niet-joden, mannen en vrouwen, blanken en migranten, skinheads en burgerij elkaar respecte­ren, elkaar accepte­ren, en proberen daadwerkelijk er voor elkaar te zijn.

Paulus zag misschien te weinig dat er, wil je dat in de praktijk van elke dag kunnen waar maken, in de samenleving heel wat moet verande­ren, niet alleen qua mentaliteit, maar ook organisato­risch en structureel. Leren dat je op een andere manier moet spreken, besef­fen dat onze omgangstaal vergeven zit van woorden en uitdrukkingen die voor bepaalde groepen denigrerend zijn. Dat je gelijke kansen moet scheppen in de samenleving: om te kunnen studeren, om een baan te krijgen (in België is de werk­loosheid onder mensen van allochtone origine viermaal hoger dan het lan­delijk gemiddelde!). Ook in de kerk - en die zou in het spoor van Paulus toch een voorbeeldfunctie moeten vervul­len - zou iedere gelovige, man of vrouw, wit of zwart, homo of hetero, gelij­kelijk in aanmer­king moeten komen voor het bekle­den van amb­ten of het ontvangen van sacramenten. Die dingen we­ten wij nu beter dan Paulus in zijn tijd - als mensheid hebben we de voorbije tweedui­zend jaar niet stil­ge­zeten. Ander­zijds ziet Paulus wellicht scherper dan wij wat ons op weg helpt als het erom gaat elkaar te accepteren: het feit namelijk dat wij, in Christus, allen kinderen zijn van dezelfde Vader.

Dat laatste is meer dan zomaar een vaststelling. Het is een opdracht, zegt Jezus in de evangelielezing: “Wie mijn volge­ling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloo­chenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Wie zijn leven wil redden, zal het verlie­zen.”

‘Zijn kruis opnemen’, ‘zichzelf verlooche­nen’, ‘zijn leven verliezen om Chris­tus’ wil’ - drie uitdrukkingen die hier hetzelfde betekenen. Wie zijn kruis niet opneemt maar in plaats daarvan zijn eigen leven probeert te redden, zijn prero­gatie­ven pro­beert veilig te stellen - die belandt in het kamp van de uit­einde­lijke verliezers. Zijn leven verliezen om Christus’ wil, wil zeggen: wat je opbouwt in het leven - je status, je prestige, je car­rière – mag je niet verabsoluteren, je moet het ondergeschikken aan de eisen van rechtvaardigheid. Hoeveel zakenimperiums zijn niet groot geworden door uitbuiting? Denk eens aan de voetbal­len waarmee momenteel het Europees kampioenschap gespeeld wordt… vervaardigd door Pakistaanse kinderhan­den. Op topfuncties zitten lang niet altijd de meest geschikten, vaak zij met de langste arm, de beste relaties of de juiste partijkaart. Hoeveel mannen zitten op direc­tiestoelen omdat vrouwen in die mannen­wereld nauwelijks kans krijgen? Hoeveel dames krijgen een job omdat ze qua uiter­lijk beter scoren dan een meer geschikte concurrente? Hoeveel paro­chies zitten zonder priester, terwijl heel wat mannen en vrouwen, gehuwd of ongehuwd, bereid en in staat zijn om een geloofsgemeenschap te bezielen en te herderen?

Met dat kruis - wie we zijn, zijn we geworden deels ten koste van anderen, ook al zijn wij daar niet persoonlijk voor verantwoordelijk - zitten velen van ons opge­scheept. Betrokken zijn bij onrecht anderen aangedaan zonder er zelf rechtstreeks schuld aan te hebben - wat kun je daaraan doen? Een pu­blieke schuldbelijdenis? Ontslag nemen? Erg realis­tisch is dat niet.

En toch kun je wat doen, ook zonder de publieke mar­telaar uit te han­gen. In het dagelijkse leven kun je op vele manieren je steentje bijdragen aan een eerlijker samenle­ving. Een paar willekeurige voorbeelden. Schone kle­ren kopen die niet besmet zijn door uitbui­ting van vrouwen en kinderen in ontwik­ke­lings­lan­den. Vaker de wereldwin­kel binnen­lo­pen; wat je er meer betaalt komt ten goede aan de arme boer in Zimbabwe of Colombia die een eer­lijke prijs kreeg voor zijn product. Voor een arts zijn ziekenbriefjes geen middel voor klanten­bin­ding op kosten van werkgever en ziekten­verzeke­ring. Als pastor je niet vastbij­ten in je tradi­tione­le machtsposi­tie maar ruim­te creëren om de inzet en talen­ten van onderuit gelovig te la­ten renderen.

Ieder­een kan elke dag op zijn of haar plaats om Chris­tus’ wil een stukje leven prijsgeven zodat ander­mans leven wat meer en betere kansen krijgt. Maar het kost wel aandacht en soms enige moei­te. Maar dat is nu eenmaal de prijs die we moeten beta­len om echte volgeling van Jezus te mogen zijn. De prijs van recht, recht­vaardig­heid en liefde.

Inspiratiebron: André Lascaris in Kerugma 1998.

Zoeken in Preken Online