Lucas gaat verder met zijn verhaal van Gods barmhartigheid. Het evangelie van de jongeling van Naïn ruimde geen plaats om over de zonde te spreken. Alleen Jezus’ medelijden kwam ter sprake. Uit medelijden gaf Hij de jongen aan zijn moeder terug. De weduwe van Sarepta sprak zelf over haar zonde. De profeet Elia repte er geen woord over. Hij bad tot God en God liet de ziel in het kind terugkeren. Waar de profeet tussenkomt, wordt zelfs het leven teruggegeven. Een woord van Jezus is genoeg om de doden te doen opstaan. Gods medelijden herschept het leven. Het maakt zonde en dood ongedaan.
“Een groot profeet is onder ons opgestaan”, roepen de mensen in Naïn. Het is een gave Gods als een profeet opstaat. Spreken in Gods Naam, handelen met God in zijn rug, is een uitnodiging die tot iedereen gericht is. God wekt niet vaak de doden op, maar al wie een gebaar van liefde stelt, al wie een woord van liefde spreekt, kan het leven wekken in een hart dat dood is, kan iemand doen opstaan, die vertwijfeld was door eigen zonde op mislukking Niet iedereen is een wonderprofeet, maar iedereen is profeet en profetes, geroepen om het leven opnieuw te geven, de hemel te ontsluiten, wegen te bereiden, deuren te openen, gevangenen te bevrijden, “aan armen de Blijde Boodschap te verkondigen”. Al wie Gods liefde-woord beantwoordt, kan profeet en profetes van zijn liefde worden.
De vrouw aan wie Jezus vandaag vergiffenis schenkt, wordt uit haar gevangenis bevrijd. Ze was “in de stad als zondares bekend”. Dat was voldoende om haar gevangen te houden. Haar bekendheid was haar gevangenis. Ze kreeg alleen bezoek in het geheim. Niemand van hen die haar kenden wou haar bevrijden. Misschien was Jezus de enige disgenoot aan de tafel van Simon de Farizeeër die haar niet ongezien had opgezocht. Zijzelf was het die Hem opzocht. Zij deed het in het openbaar. Wat ze van Hem gehoord had was voor haar een teken geweest. Hij had haar bevangen hart bevrijd. Haar verlangen naar vrijheid had Hij wakker gemaakt. Zij was door Hem aangetrokken. Alle anderen hadden zich door haar laten aantrekken. Hoevelen van hen die mee aan tafel aanlagen kenden haar tranen, haar haar, haar kussen? Van wie was het geld gekomen waarmee zij het “albasten vaasje met balsem” kocht? Allen kenden haar, maar niemand van hen was vrij. Aan de tafel van Simon was alleen Jezus een vrij man. Alle anderen waren in hun zonde gevangen. Ze zaten opgesloten in zichzelf. Zoals Simon, spraken ze in zichzelf, dachten ze bij zichzelf, leefden ze in zichzelf, zonder zich uit te spreken, zonder zelf vergiffenis te vragen, door een gebaar of door een woord. Ze waren allen gevangenen.
Hoe hadden ze profeet kunnen zijn en eraan denken de vrouw te bevrijden, die ze met herinnering aan eigen zonde gadesloegen? Jezus, die zonder zonde was, bevrijdde haar, vergaf haar “haar vele zonden” en richtte meteen aan Simon en aan de anderen een zachte maar dringende uitnodiging om zich te bekeren, hun eigen zonde te belijden, lief te hebben, tot anderen te spreken, vrije mensen te worden, op hun beurt profeten te worden. De liefde die de vrouw ontdekt had, konden ook zij beantwoorden en ook hun zonden, hun vele zonden, konden hun vergeven worden.
Jezus deed hun het aanbod via een parabel. “Een geldschieter had twee schuldenaars…”. Simon en de zijnen, de Farizeeën en de priesters, waren vrij erop in te gaan. Ze hadden het voorbeeld van koning David voor ogen, die na de parabel van de profeet Natan bekende: “Ik heb gezondigd tegen Jahwe”, waarop Natan antwoordde: “Dan heeft Jahwe u deze zonde vergeven: gij zult niet sterven”. David had zijn vertrouwensman Uria vermoord omdat hij diens vrouw verleid had en een kind van haar verwachtte. David zou zwaar boeten voor zijn zonde, maar God zou hem vergeven en de dag zou komen dat hij de Messias zou zien, die uit zijn geslacht zou geboren worden. Na zijn zonde zou hij zijn schoonste psalmen schrijven. Zijn antwoord op Gods vergevende liefde zou ook van hem een profeet maken. Hij zou zingen van Gods grote daden in zijn leven.