11e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 11e zondag · groen

Lucas heeft een voorliefde voor verhalen die iets vertellen over Gods barmhartigheid en de vergevingsgezindheid van Jezus. Alleen hij vertelt ons over de verloren zoon en de barmhartige vader. Als enige vertelt hij over Zacheüs, de tollenaar met wie Jezus aan tafel gaat. En bij de andere evangelisten lezen we niets over de ‘goede moordenaar’. Het verhaal van vandaag, over de zondige vrouw die Jezus zalft, is het zoveelste verhaal dat leren wil dat wij, in de geest van Jezus, ertoe geroepen zijn te vergeven.

‘Als Hij wist wie ze was’, zeggen de brave en vrome omstanders, ‘zou Hij niet met haar willen omgaan’. Ook toen gold al: als je eenmaal een kwade naam hebt, kom je er maar heel moeilijk af. En een kwade naam heb je zo.

Als een krant er een gewoonte van maakt hij een bericht over een misdrijf steevast te vermelden dat een van de betrokkenen een Marokkaan of een Turk was, kunnen lezers gaan denken dat er altijd wanneer er iets misgaat, wel een buitenlander hij betrokken is. Want het is het makkelijkst ze allemaal over één kam te scheren. Fout is dat; beter gezegd: zonde is dat.

Maar je kunt ook een kwade naam krijgen en houden, niet omdat je hij een bepaalde groep of familie behoort, maar omdat je zelf ooit in de fout bent gegaan. Het is intussen misschien al wel tien jaar geleden, maar ze blijven je erop aankijken.

De vrouw over wie Lucas vandaag vertelt, is zo’n gebrandmerkte. Eenmaal een slechte naam, word je gemeden, met de nek aangekeken; en al zou je anders willen, je wordt toch niet geloofd. Vanwege je verleden wordt je geen toekomst gegund.

Bij Jezus wel, vertelt Lucas. Hij nagelt mensen niet vast op hun verleden; hij vergeeft wat geweest is, en zet mensen daarmee op een weg die toekomst heeft. In die houding van Jezus mogen we zien hoe God met mensen omgaat. Hij neemt ons telkens op in zijn genade, en is bereid met mensen een nieuw begin te maken.

Wij, mensen, hebben meer moeite met vergeven, en praten te gemakkelijk mee in wat ‘men’ zegt. ‘Ik heb er nooit iets van meegemaakt, maar ze zeggen dat hij…’, of: ‘Dat is er één van dat soort, dus…’.

Anders dan God, zijn we vaak enghartig. En vooral degenen die zichzelf zo goed vinden, hebben er de meeste moeite mee de gebreken van anderen te vergeven. Iemand iets vergeven wordt een stuk makkelijker als je de wijsheid hebt te bedenken dat wat hem of haar is overkomen, jou ook had kunnen gebeuren.

Ouders die weten dat ze zelf ook lang niet alles goed doen, vergeven makkelijker de fouten van hun kinderen. Jezelf kennen heeft alles te maken met kunnen en willen vergeven. Waar mensen niet bereid of bekwaam zijn te vergeven, is er geen toekomst, en wordt samenleven onmogelijk.

We bidden dikwijls: ‘Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld…’. Maar we denken dikwijls: door ‘zijn’ schuld.

Zoeken in Preken Online