4de zondag Advent C (2006)

C-cyclus · Advent · 4e zondag van de Advent · paars

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, in het openingsgebed, dat wij zo aanstonds bidden ná het “Heer, ontferm U”, staat dat wij, mensen, blind zijn voor Gods aanwezigheid. En dat is soms ook zo.

Maar ook is waar dat de huidige maatschappij het ons, christenen, wel heel erg moeilijk maakt. Alles is even lawaaierig, drukke lichteffecten in reclames, alles even schitterend.

En dat terwijl onze Verlosser juist heel rustig en bescheiden is. Geen lawaai, geen schittering, geen prachtige reclames in kleur. Niets van dat alles.

Wij, mensen, zitten toch zo in elkaar, dat onze aandacht dikwijls eerst uitgaat naar wat opvalt. Vragen wij daarom vandaag dat wij oog mogen krijgen voor wat klein is: een moeder met haar Kind in een arme stal van herders. Dáár ligt onze redding en nergens anders.

Vragen wij vergeving voor de keren dat wij ons te veel door de buitenkant van de dingen hebben laten meeslepen en God en elkaar over het hoofd hebben gezien.\

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Verborgen God, Gij kent ons, Gij weet hoe blind wij zijn voor uw nabijheid, hoe ver wij nog verwijderd staan van U, Onthul ons uw aanwezigheid, breng ons tot de gehoorzaamheid van het geloof, en roep ons tot de gemeenschap van Jezus Christus, onze Heer. Die met U leeft en heerst … . Amen.\

PREEK

Het evangelie van vandaag spreekt over twee vrouwen, die een kind verwachten. Maria, de moeder van de Heer, en Elisabeth, de moeder van Johannes de Doper. Beide vrouwen hebben een bijzondere plaats in het heilsplan van God, zij maken voor ons duidelijk wat God kan doen met mensen, die openstaan voor zijn woord en hoe mensen handelen, die geleid worden door Gods Geest.

Laten we eerst eens kijken naar Maria. Zij is een mens, die God in haar hart draagt. Maria, die door het bergland van Juda naar Elisabeth gaat, toont ons hoe het geloof ons aanspoort op weg te gaan om Jezus naar anderen te brengen. Zij gaat met spoed, een heilige onrust drijft haar voort, zij gaat door het gebergte, niets houdt haar tegen, zij wil haar genade en haar geluk naar Elisabeth brengen om het met haar te delen.

God is voor Maria niet zozeer Iemand om over te praten, maar Iemand die bij haar is, de onzichtbare aanwezige. Zo is zij voor Elisabeth de ontmoetingsplaats van de levende Heer. “Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?”

In Maria wordt God op een nieuwe wijze ervaarbaar. Maria draagt God naar de mensen. Dat heeft zij niet één keer gedaan, bij haar bezoek aan Elisabeth, nee, zij doet dat nog altijd. God komt tot de mensen door mensen, die helemaal van Gods Geest vervuld zijn, God geeft vrede en vreugde aan de mensen, door mensen die helemaal met zijn vrede en vreugde vervuld zijn.

Men zegt, dat wij leven in een tijd van godsverduistering. Veel mensen kunnen God niet meer ervaren; voor veel mensen is God dood. Heeft deze klacht misschien niet haar oorzaak in het feit dat er onder ons te weinig mensen zijn waarin God tegenwoordig kan zijn, zoals Hij in Maria tegenwoordig was?

Kijken wij nu ook naar Elisabeth. Zij is het voorbeeld van een gelovige, die een bijzondere gevoeligheid heeft voor de aanwezigheid van God in andere mensen. Zij ziet niet alleen wat zich aan het oog aanbiedt, maar ook dat, wat onder de zichtbare werkelijkheid schuilgaat en werkzaam is.

Dit vermogen om het heilige in anderen te ervaren, waarmee Elisabeth zo rijk begiftigd was, kan de mens zichzelf niet geven. Dat gebeurt door de werkzaamheid van Gods Geest. Daarom juicht Maria ook over Gods genade, die iedere tijd opnieuw in mensen werkt.

Gelukkig ben je als je gelooft, dat wil zeggen, als je het waagt een stap verder te zetten dan wat je nu weet, ziet en kunt. Beide vrouwen hebben dit gedaan, hun geloof is tastbaar geworden, zij zijn voor elkaar een plaats van ontmoeting geworden met de levende Heer. Maria en Elisabeth ontmoeten elkaar; de mens die God in zijn hart draagt en de mens die God in de ander erkent en prijst, staan tegenover elkaar. Beide gestalten beelden een wezenlijke grondhouding uit van een gelovig bestaan.

Laten we opzien naar Maria en ook proberen, zoals zij, de goedheid en mensenliefde van God in ons leven voor anderen zichtbaar te maken. Laten we ook kijken naar Elisabeth, die zo fijn aanvoelde hoe God ons kan ontmoeten in gewone mensen. Gaan wij door het bergland naar de mensen toe en stellen wij de deur van ons hart wijd open voor God, die naar ons op weg is langs mensen om.

Zoeken in Preken Online