De bekende Deense wijsgeer Sören Kierkegaard heeft in de vorige eeuw eens het volgende verhaal verteld: In een groot theater treedt een beroemd circus op. Midden onder de voorstelling komt een clown het toneel opgerend. De mensen applaudisseren, want het is hun meest geliefde clown. Maar de clown schreeuwt de zaal in: ‘Er is brand achter de coulissen!’ Het publiek begint nog harder te applaudisseren. De clown roept opnieuw: ‘Er is brand! Maak dat je wegkomt!’ Maar de toeschouwers denken dat hij een van zijn nummertjes opvoert. Zij amuseren zich kostelijk met de rare bokkensprongen van de clown. Zij blijven natuurlijk allemaal zitten, totdat ze merken dat er wel degelijk iets aan de hand is. Maar dan is het voor velen te laat. Ik heb dikwijls de indruk dat heel veel christenen naar de Kerk luisteren zoals die toeschouwers naar die clown, vooral wanneer de Kerk tijdens de advent telkens weer herhaalt: “Bekeert u, doet boete!” Men laat de pastoors maar preken, dat is hun beroep. Maar wie ligt daar nu wakker van?
Vandaag houdt de Kerk ons door de mond van Johannes de Doper wéér eens voor: bekeert u! Doet boete!
Boete! Wij verstaan dat woord nauwelijks meer. U hebt wat lang getreuzeld in een of andere zaak in de stad. Als u terugkomt steekt dat beruchte papiertje achter de ruitenwisser van uw auto. Uw parkeertijd was allang overschreden. U gaat naar het politiebureau. Er zit niets anders op: u moet de boete betalen.
De sportwagen van een jonge snelheidsmaniak ligt ergens naast de weg met zijn vier wielen in de lucht. Ja, zeggen de buren, dat moest ervan komen. Eindelijk moet hij eens boeten voor zijn roekeloos rijden.
Zo komen wij in het dagelijks leven in aanraking met dat woordje boete. Je doet iets wat eigenlijk niet hoort. De boete is de straf daarvoor. En de zaak is afgedaan. Maar in de mond van Johannes de Doper en in de verkondiging van de Kerk klinkt dat woord boete toch wel enigszins anders. Boete veronderstelt bij hem op de eerste plaats erkennen dat er in je leven ook dingen zijn die anders zouden kunnen en moeten zijn. Jezelf zien zoals je werkelijk bent, met je goeie maar ook met je slechte kanten. Ontdekken dat je goed bent voor de anderen, maar toch niet helemaal zo goed als voor jezelf. Merken dat je wel graag mensen helpt, maar altijd met in je achterhoofd de bijgedachte: je kunt nooit weten waar het goed voor is. Weten dat je nu en dan wel eens een flinke gift geeft voor de hongerlijders in de Derde Wereld, maar tevens toegeven dat het toch ook wel wat meer zou mogen zijn.
Bekeren betekent in de mond van Johannes de Doper: beginnen met een nieuwe levensstijl, anders, beter gaan leven. Dat betekent niet op de eerste plaats gaan protesteren tegen rassendiscriminatie in Zuid-Afrika, tegen de folterpraktijken in Zuid-Amerika; tegen de bewapeningswedloop van de grootmachten. De oproep tot bekering van Johannes is op de eerste plaats gericht tot onszelf; de bekering moet beginnen in onseigen hart. Wij moeten de hand in eigen boezem durven steken. Wie van ons durft zeggen dat hij de christelijke visie doortrekt in zijn leven van elke dag? Ook in ons leven zijn er dingen die het daglicht niet mogen zien. Johannes richt het spervuur van zijn vlammende welsprekendheid tegen de zelfgenoegzaamheid, die het kwaad overal elders zoekt dan in het eigen hart.
Een doopsel van bekering wordt van ons gevraagd, dat wil zeggen: wij moeten ons helemaal met heel ons wezen overgeven aan de wil van God, dan zullen wij met Kerstmis Gods redding mogen zien. Tientallen generaties voor ons hebben naar deze boodschap van Johannes geluisterd en ze ter harte genomen. Misschien is het voor onze generatie ook niet helemaal nutteloos ernaar te luisteren en ze ter harte te nemen. Er zijn nog heel wat paden recht te maken, veel dalen moeten nog gevuld worden en bergen geëffend voordat heel de mensheid Gods redding zal kunnen zien. Laten we vandaag nog beginnen.