Wij geloven in God, maar we zien Hem niet. Niemand heeft God ooit gezien. We kunnen in onze wereld niets aanwijzen waarvan we zouden kunnen zeggen: dat is nu God. God is de Heel Andere. Hij komt van elders. Toch geloven wij dat Hij bestaat, want Hij spreekt tot ons. Hij meldt zich aan en tracht ons duidelijk te maken dat Hij het goed met ons meent, dat Hij van ons houdt en dat Hij ons leven wil delen.
De Schrift vertelt hoe God zich aanmeldt in onze wereld. Hij doet het op een onverwachte manier. Niet op plaatsen waar geschiedenis geschreven wordt, niet in het centrum van de grote steden. Hij verkiest de woestijn om zijn woord tot mensen te richten. Die mensen worden dan profeten genoemd. Johannes de Doper is zo iemand. Hij moet een nogal ruige verschijning geweest zijn, die grote indruk maakte op zijn tijdgenoten. Hij kondigt de finale komst van God zelf aan. Nu zou je verwachten dat hij zegt: ‘God heeft jullie al zo dikwijls gewaarschuwd en jullie hebben niet geluisterd; nu is het te laat, nu komt Hij zelf om met almacht en overmacht orde op zaken te stellen.’ Bij momenten laat de Doper wel dergelijke dreigementen horen, maar de grondtoon van zijn boodschap is toch anders. Hij roept op tot een doopsel van bekering, tot vergeving van zonden. Dat moet gebeuren opdat God zelf zou kunnen komen: ‘Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht.’ Hij zegt dat met beelden die hij haalt uit de traditie van zijn volk en die titanenwerk suggereren: ‘Elk dal zal worden gevuld en elke berg en heuvel geslecht. Kronkelwegen moeten rechtgetrokken en ruwe paden geëffend worden.’ Zoiets kan de profeet maar zeggen omdat hij zelf onder een geweldige druk staat, omdat hij beseft hoe groot het is wat komen gaat. De liturgie laat die woorden horen in de adventstijd, de voorbereiding op het kerstfeest.
Wat daar nu mee aanvangen? De advent is de gepaste tijd om weer te beseffen wat voor grootse dingen in het geloof aan de orde zijn. Niemand durft vandaag nog met zulke hoopvolle meldingen op de mensen af te komen. Het is thans de bon ton kleintjes, ietwat sceptisch en zelfs cynisch te doen over de schamele wezens die wij allemaal zijn. De toekomst ziet er somber uit en het wemelt van pessimistische voorspellingen. Geloven is nu juist: daar niet aan toegeven, groot durven te denken over elke mens en over onze gezamenlijke toekomst. God zelf vindt het immers de moeite om met ons om te gaan, om naar ons toe te komen en ons bestaan te delen. In Gods licht komen de mensen er groot uit, want Hij heeft grootse plannen met ze en Hij laat niet af. Advent is: daar weer eens durven naar te luisteren. God acht ons in staat tot grootse, schijnbaar onhaalbare taken, zoals dalen vullen en bergen slechten. Titanenwerk, toevertrouwd aan mensen die geen reuzen zijn. Hij durft dat te vragen omdat Hij zelf mens zal worden. Zijn Zoon zal dingen doen die wij niet voor mogelijk hielden.