Lang is er door het echtpaar op kinderen gewacht, jarenlang. ‘Afwachten’, zeiden de dokters, die zij raadpleegden. ‘Afwachten’, zeiden ze tegen elkaar en tegen hun familie. Het leven gaat zijn eigen gang. Er wordt gewerkt, geleefd, gedroomd…
En dan is het plotseling zover, zij/hij - waarom ook niet hij - raakt in verwachting. Alles wordt anders, geen machteloosheid meer, maar werk aan de winkel. De wieg, de uitzet, de kinderkamer, de gesprekken. Alles ademt activiteit tussen hen, er is weer uitdaging, de toekomst lonkt. Afwachten maakt passief, slaperig, ook wel ongedurig en kribbig en soms somber, angstig zelfs. Wat kun je doen?
Verwachten daarentegen is, actief, waakzaam, werkzaam, vrolijk en blij. De adventstijd - letterlijk betekent het: op komst - is voor gelovige mensen, als het goed is, een tijd van verwachting. Zij hebben de hoop op het koninkrijk van God, een wereld beter dan de onze, nog niet verloren. Zij dragen de overtuiging mee, dat zij daaraan hun steentje kunnen bijdragen. je kunt ervoor openstaan, je kunt de verschijnselen ervan versterken: waakzaam zijn, uit je ogen kijken, de tekenen van de tijd verstaan. Heel concreet: hoe praat ik over vreemdelingen, hoe denk ik over gastvrijheid, hoe draag ik zorg voor zwakken en kleinen? In de advent doet de actie voor de vierde wereld, Welzijnszorg, een beroep op ons. Wil ik ervan weten? Wij zijn niet machteloos, ook niet als het gaat om stelling te nemen tegen vreemdelingenhaat en racisme. Maar toch… als je alles hebt gedaan wat je kunt, is het toch mogelijk, dat je met je hoofd tegen de muur loopt. Er is bijvoorbeeld een onoplosbaar relationeel probleem, of je bent ernstig ziek. Een gelovig mens kan dan soms nog bidden. Want zo luidt de adventsoproep: ‘weest waakzaam en bidt.’
Ik vergeet nooit meer de dokter, die wij ontmoet hebben aan het sterfbed van onze moeder.
‘Hoe gaat het ermee, dokter?’ ‘Afwachten, maar zoals ik zie kunt u nog bidden.’ Zo is het, realiseerden wij ons. ‘Misschien is er geen beterschap mogelijk, maar het helpt onze moeder en ons zelf aan tegen de angst en de machteloosheid.’ ‘We kunnen samen iets doen en dat is heel wat.’ Bidden is anders tegen de werkelijkheid, tegen jezelf aankijken.
Zo leerde ik ooit het volgende gebed:
Ja, lieve God, ik heb angst,
maar gelukkig ben ik meer dan mijn angst.
Ja, ik heb een ziekte,
maar ik ben meer dan dat.
Ik voel woede, frustratie, somberheid,
maar ik ga er niet in op, val er niet mee samen.
Ik bid het vaak, het geeft verlichting. En tenslotte nog dit - ook dat is goed om te weten - niet alleen wij, gelovige mensen, zijn in verwachting, maar ook God om zo te zeggen. Hij verwacht van ons mensen: ónze inzet, ónze talenten en mogelijkheden. Hij verwacht dat wij - juist nu - niet vluchten voor onze verantwoordelijkheid. Er is werk aan de winkel, de nieuwe wereld wacht en ze is heel dichtbij, zij komt eraan en haar God en Schepper komt met haar mee. ‘Op komst - kom op, bereid de weg van de Heer.’