Het christendom is veelkleurig. Dat is zijn charme. Dat is zijn eigen veelvoudig geheim. Wij geloven niet in één boek noch in één waarheid. Pluriformiteit is wezenlijk ingebouwd in ons geloven. Wij geloven in Jezus op grond van vier portretten die ‘nogal’ verschillen. Dat is gewoon zo. Dat is een constateerbaar feit. Maar vooral: dat mág. Dat behoedt ons voor fanatisme en dogmatisme. Wij geloven in de God van Jezus en de profeten. Daar zijn in de loop der tijden 71 boeken over geschreven. Deze verzamelnaam noemen wij bijbel. Letterlijk betekent bijbel bibliotheek. Om over God te spreken, staat er meer dan één boek in de rekken. Zovele mensen hebben ons een Godsverhaal geboden. Ze zijn één na één belangrijke getuigen. Lucas is één van hen.
Hij is de meest eenvoudige. Hij is, als ik het zo zeggen mag, de minst gecomplexeerde. Hij is een buitenstaander die de bewe-ging van het christendom heeft ontdekt en bestudeerd. Van oorsprong is hij een Griek of een Syriër? Hij toont ons dat het wijs is te geloven in Jezus. Dat doen de drie anderen natuurlijk ook, maar die hebben geworsteld met het probleem van Israël. Israël stond in het midden van hun debat. Voor de drie andere evangelisten was Jezus de man van het grote gelijk. Christenen en joden, dat was voor hen geen vrijblijvende kwestie. Het brandde aan hun eigen ziel. Dat heeft Lucas nu niet.
Lucas is anders. Lucas is als Michel van der Plas die, als Nederlander, een goed boek schrijft over meneer Gezelle. Dat is niet enkel een goed boek. Het is een revelerend, zéér goed boek. Zo is Lucas. Hij is een heiden die binnentreedt in het gegeven en het gebeuren van christenen. Hij vindt dat een boeiend gegeven. Het verhaal van Jezus wordt voor hem een uitermate intrigerend verhaal. Hij wil weten wat hier eigenlijk relevant is: waarom is die Jezus zo ontzettend belangrijk geworden? Dat wil hij weten. Dat brandt aan zijn ziel, want hij heeft geleerd van die Jezus te houden. Hij heeft geleerd te houden van deze vreemde man.
Lucas is op zijn manier ernstig. Ik ben zo graag geneigd zijn ernst ernstig te nemen. Hij heeft het beminnen geleerd. Dat is zijn waarmerk. Hij is geen vechter. Hij is een minnaar. Daarom intrigeert hij ons. Hij heeft als buitenstaander het hart, het geheim en de kern van het christendom begrepen. Hij maakt ons dus nieuwsgierig. Hij zal ons vele verhalen bieden die de anderen niet hebben. Hij biedt ons het Magnificat, het verhaal van de verloren zoon, van de barmhartige Samaritaan, van de farizeeër en de tollenaar, van Zacheüs en Bartimeüs. Boven alles leert hij ons iets over de arme mens. Hij is zo voor de voorrang voor de arme mens dat hij hard wordt als mensen geen hart hebben voor dit broze geheim.
Lucas volgt dus zijn eigen logica. Volgens hem zijn alle mensen welkom in Gods stad, in Jeruzalem. Dat zou wel eens de kern kunnen zijn van zijn boodschap. Dit refrein zullen we voortdurend horen. Jezus houdt van alle mensen. Wee de mens die hier voor tegenbeweging zorgt. Dat is voor Lucas de grootste inconsequentie van wat het christendom bedoelt. Lucas is een lieve, ernstige man.
Hij wenst en biedt ons ook een lieve kersttijd.