Inleiding
‘Oculi mei semper ad Dominum.’ ‘Mijn ogen zijn steeds op de Heer gericht: Hij zal mijn voeten uit de strik bevrijden. Zie naar mij om en wees mij genadig, want eenzaam ben ik en hulpeloos.’
Deze woorden van het intredelied geven het ritme weer van de heilsgeschiedenis en het is ook het ritme van het evangelie van vandaag: “Breekt deze tempel af en Ik zal hem in drie dagen doen herrijzen.”
Jezus gaat op naar Jeruzalem. Dat is ook onze situatie op deze derde zondag in de Veertigdagentijd. Het paasfeest is nabij en ook wij gaan op naar Jeruzalem, naar de tempel van God. Want de tempel van God is Jezus, precies zoals over Hem wordt gezegd in dit evangelie: “Hij sprak over de tempel van zijn lichaam.” In deze Veertigdagentijd gaan wij op naar het paasfeest, waarop Jezus Zich zal openbaren als de tempel van God onder de mensen. Maar de paastijd is eigenlijk een viering van héél ons leven, want heel ons leven is een opgang naar Pasen. Pasen is een overgang, een voorbijgang, een definitieve ommekeer, de laatste ommekeer van oud naar nieuw, van onbekeerd naar bekeerd, van verdeeldheid naar eenheid, van zondig naar heilig, van onze voeten in de strik, van eenzaam en hulpeloos naar genade, bevrijding. In dát geheim, dat paasgeheim, werden wij ingewijd bij ons doopsel. Bij de doop in zijn dood zijn wij met Christus begraven, opdat wij een nieuw leven zouden leven in Hem. Het oude leven wordt afgebroken, zoals Jezus’ Lichaam, maar daaruit wordt het nieuwe leven opgebouwd. Het oude leven sterft, het nieuwe leven verrijst, het nieuwe leven van God dat niet meer afgebroken kan worden.
Aan het begin van deze viering stappen wij weer opnieuw in in dat ritme van de verrijzenis, door ons te laten besprenkelen met het gewijde water.
Homilie
“Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam.” Wat is een tempel eigenlijk? Wat is het eigene van een tempel? Een tempel is een gebouw, een ruimte, die aan God is toegewijd, waar alles geordend is op God. Als je binnenkomt, laat je heel de veelduidige wereld achter je, de wereld van mensen en dingen en je komt in de wereld van God. Er wordt gezwegen en als er al gesproken wordt, gebeurt dat met gedempte stem. Kortom: je houdt je eigen aanwezigheid in om zíjn aanwezigheid ten volle tot zijn recht te laten komen. God is daar! Hij komt op de eerste plaats en aan de mensen en dingen komt een ondergeschikte plaats toe. Zoals hier in deze kapel je aandacht alleen al door de ordening van de ruimte naar het altaar wordt getrokken. Dát is wat een tempel is: een plaats waar de hemel de aarde raakt.
Nu zegt Jezus van de tempel: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen”, zal Ik hem herbouwen. “Hij sprak echter over de tempel van zijn lichaam.” Jezus is dus de bidplaats, de nieuwe tempel, het centrum van de Godsontmoeting. Wil je God ontmoeten, dan moet je naar Jezus. Hij is een Persoon, niet een plaats, een Persoon waar God lichamelijk in volheid woont. Jezus kan daarom Gods tempel genoemd worden. En een persoon nader je niet alleen met uiterlijke tekenen van eerbied, nee, als je een persoon echt recht wilt doen, moet je hem met geloof, met vertrouwen, met innerlijke eerbied en met liefde naderen. Een persoon vraagt om geloof, om vertrouwen, om erkenning; een persoon vraagt dat je één van hart bent met hem, één van geest. Zoals de Tien Geboden dan ook beginnen met een voorstelling van de Persoon, van de Gebieder.
God begint de Tien Geboden niet meteen met het opnoemen van de geboden, nee, Hij begint met te zeggen: “Ik ben de Heer uw God.” Eerst wordt de Gebieder voorgesteld, hoe Hij is en wat Hij gedaan heeft. Hij is wat je van Hem gezien en meegemaakt hebt: “Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.” Het eerste wat Hij dus gedaan heeft, is de Joden tot een nieuw volk vormen, en dan niet zo maar een volk tussen de andere volkeren, nee, Hij heeft er een persoonlijke band mee, het is een volk dat Hij persoonlijk toespreekt en waarmee Hij een verbond sluit. En van dat volk, dat Hij persoonlijk heeft vrij gemaakt van de andere volkeren, dat Hij heeft gered uit de slavernij van Egypte, uit de slavernij van de zonde, bevrijd van de zondige machten, mag Hij dan ook verwachten dat zij Hem een persoonlijk antwoord geven, een antwoord van binnenuit. Jezus heeft dat ook gedaan. Hij heeft Zich met de inzet van heel zijn wezen door de ijver voor Gods huis laten verteren. Dat zegt Hij toch: “De ijver voor uw huis zal Mij verteren.” Hij is bereid om Zich te laten afbreken, om Zich tot de grond toe te laten afbreken: “Breekt deze tempel af”, maar “Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam.”
Zo staat Hij vandaag voor ons in het evangelie. De Joden vragen om een teken: “Wat voor teken kunt Gij ons laten zien, dat Gij dit doen moogt? En dan krijgen ze een teken: “Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Maar het is niet het teken dat ze verwachten, nee, Jezus geeft hen het teken van zijn offerdood, dat Hij bereid is om in zijn dienst aan God tot het uiterste te gaan. “Hij had de zijnen in de wereld bemind, nu gaf Hij hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe” (Joh 13,1), in zijn verhouding tot de mensen en ook in zijn verhouding tot zijn Vader. Die tempelreiniging zal dus uitlopen op een verwoesting, in eerste instantie niet op de verwoesting van de tempel van Jeruzalem, maar op de tempel van zijn Lichaam.
Het gaat in deze tempelreiniging niet op de eerste plaats om de oude tempel. Daar werden nu eenmaal de schapen, de runderen en de duiven verhandeld. Het gaat er ook niet om dat de Joden in de tempel dingen deden die verkeerd waren, of dat ze teveel lawaai maakten, niet goed gebeden hadden. Als we dat denken, laten wij onze gedachten gaan in de richting van de oude liturgie, van een dode liturgie. Want die liturgie was dood, omdat ze het levende hart van de tempel, Jezus zelf, hadden afgewezen, zodat er inderdaad niets meer overbleef dan een markthal. “Maak van het huis van mijn Vader geen markthal.” Het huis van de Vader van Jezus is zonder Jezus een markthal. Dat is als een leven zonder de gebondenheid aan Jezus, dat is goedkoop, dat is inhalig zijn. Het gaat daarom niet over wat de Joden verkeerd hebben gedaan in de oude tempel, het gaat er om te weten wat de Joden verkeerd hebben gedaan met Jezus, de nieuwe tempel. En dát klinkt door in die woorden die Hij spreekt: “Breek deze tempel af.” Dat is wat ze gedaan hebben. Ze hebben de tempel van zijn Lichaam afgebroken. Dat is de reden waarom Jezus die oude tempel, met zijn oude offers van schapen, runderen en duiven, wegvaagt, dat is de reden waarom Hij heel die oude eredienst wegvaagt en ruimte vrij maakt voor de nieuwe eredienst, voor Zichzelf, als de nieuwe tempel. Jezus is het nieuwe begin, de nieuwe offerplaats én het nieuwe offer. Jezus is het offer van het nieuwe, altijddurende Verbond, zoals wij zullen horen bij de consecratie.
Vandaag vragen wij aandacht voor de wijze waarop Jezus een nieuw begin maakt. Dat gebeurt niet met geweld tegen anderen, integendeel, Hij laat het geweld van anderen aan Zichzelf gebeuren. Hij heeft Zich als een lam naar de slachtbank laten voeren, stom voor zijn scheerder, en Hij heeft zijn mond niet geopend (Js 53,7). Dat is een passief verzet, niet gewelddadig, maar geweldloos. En dit passieve verzet zal uitlopen op een totaal nieuw begin van Godswege: “Ik zal Hem doen herrijzen.”
Dat is hoe Jezus in het midden van de vieringen van christenen staat, in onze vieringen hier, zijn Lichaam aanbiedend tot vernietiging, tot afbraak door de mensen, om langs die weg tot een vernieuwde opbouw vanwege zijn Vader te komen. Aan dat Lichaam geeft Hij ons deel in de heilige communie, opdat wij er op zouden teren, er van zouden leven, maar dan nu een nieuw leven, een geweldloos leven uit de kracht van God.
“In drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Drie is net zo’n getal als veertig. Het is een soort codewoord dat gebruikt wordt voor de tijd die God beschikt. In drie dagen betekent dat er een nieuw begin gemaakt zal worden van Godswege. Dat kan voor je gevoel heel lang lijken, je kunt er een afbraak in beleven van je gezondheid, je kunt er een afbraak in beleven van je reputatie, van de gemeenschap, van heel de cultuur, je kunt er een afbraak in beleven van een tijd van vrede, of van een bloeiperiode van onze cultuur; maar in drie dagen, in de tijd die God beschikt, komt het weer goed.
Wat moeten we nu in die drie dagen? Sterven aan onze eigen krachten, om met Gods kracht een nieuw leven te leiden. Geweld komt altijd voort uit gebrek aan geloof. Je gelooft niet meer dat er van Godswege een nieuw begin zal worden gemaakt, je gelooft niet meer dat de krachten van het herstel het zullen winnen van de krachten van de afbraak. Omdat je het niet gelooft, neem je het heft in eigen handen en sla je toe, zo van: het moet nu maar eens uit zijn. Het is dus eigenlijk een kwestie van geloof, dat je je eigen kracht, je geweld, inhoudt. Dat je je eigen kracht loslaat, om vanuit een diepere diepte, vanuit je verbondenheid met je geweldloze Heer, God zijn kracht te laten inzetten.
Dat is ons heilig geloof. Ons heilig geloof is, dat Hij het niet zal laten afweten, dat Hij ons vertrouwen niet zal beschamen, dat wij op Hem kunnen rekenen, op zijn kracht, in plaats van op onze eigen krachten. Dat geloof willen wij belijden in de geloofsbelijdenis.