Bij onze homilieën proberen we soms de krant naast de bijbel te lezen. Of anders gezegd: de actualiteit van ons leven te verbinden met ons geloof.
Zo las ik enige tijd geleden dat een middelgroot bedrijf zijn bedrijfsvoering en regelgeving bad gestoeld op de tien geboden. En dat dat heel goed werkte. Flinke winst, aangenaam werkklimaat, verminderd ziekteverzuim en veel minder controle. En dat, terwijl de meeste stemmen in een andere richting gaan.
De tien geboden? Prachtige voorschriften, maar er valt niet mee te leven in onze keiharde wereld. Je moet in het handelsverkeer met de eerlijkheid soms de hand lichten, je moet met je ellebogen werken. De zondagsrust is uitermate onvoordelig voor de economie. En als je geen dief wilt zijn van je eigen portemonnee, dan moet je de mazen in de wet kennen. Kortom: soms moet je de wet even aan de kant schuiven.
Toch zijn wetten aanvankelijk niet bedoeld om ons te plagen of om met geslepenheid te omzeilen. In de oorsprong - en zo is het ook met de tien geboden gegaan - zijn het hele principiële afspraken in de richting van meer menselijkheid. Ze betekenen een weg uit de barbarij van: de mens voor de mens een wolf. Richtingwijzers - geliefd woord van de joden - worden ze genoemd en zijn bedoeld als een huis om samen veilig in te wonen. Ze zijn bedoeld als een goed groeiklimaat voor onze kinderen, als een steun voor weduwen en wezen, als een stevige bodem voor zieken en oude van dagen, een betrouwbaar buis voor vreemdelingen. Daarom zegt het verhaal, dat we zojuist lazen ook, dat zij door God zelf in steen werden gegrift.
Tien leefregels: dat was de allereerste Joodse tempel. Binnen deze afspraken zal God een God van mensen zijn en mensen zullen in harmonie samenleven, kunnen groeien en de weg vinden naar de toekomst. Maar in de loop van de tijd wordt deze oorspronkelijke bedoeling vergeten. Er groeien uit het eigenbelang en de behoefte aan gewin allerlei uitzonderingen. De wet raakt versteend, wordt een last, er is geen hart meer in en geen bezieling. Dat constateert Jezus en lapt daarom heel wat van de vrome prietpraat aan zijn laars. Hij wijst op de oorspronkelijke bedoeling: God liefhebben en de medemens, dat is alles.
En andere instituten binnen het jodendom vergaat het net zo. Vandaag treedt de tempel voor het voetlicht. Ver afgeraakt is die van zijn oorsprong. Een fraai statussymbool van grootheidswaan is hij geworden. Wat erin en rondom gebeurde had niets meer van doen met de oorsprong: eer aan God en vrede voor mensen. Eigenbelang, winst maken, handel drijven met het heilige was ervoor in de plaats gekomen. Dat is geen eer maar roof. Daar gaat Jezus tegen tekeer. Hij veegt de tempel schoon en de vloer aan met al dat onechte gedoe. Als dit geen ontmoetingsplaats meer is tussen God en mens, dan moet hij maar verdwijnen. Maar de joden zijn gebleven en ik denk dat zij dat aan hun tien geboden te danken hebben.
Door te lezen en herlezen en in praktijk brengen, hebben zij het leven gehouden. En wat toen gold, geldt nu nog. Als je niet goed oplet, verloeder je zelf als tempel van de heilige Geest, door een teveel van alles; verloedert de plek waar wij wonen door kleine criminaliteit, drugs, eigenbelang; raken onze kerken, zo fraai gebouwd, zonder ziel. Hoe kunnen we onszelf, onze woonplek, onze kerk weer een hart geven en bezielen?
Soms denk ik, dat ik minder zou moeten denken en meer mijn hart laten spreken. Ik zou moeten zakken vanuit mijn hoofd naar mijn hart. Daar is immers de bron van vele goede hoedanigheden: liefde en vriendschap, mededogen, barmhartigheid, moed e.d. Al die eigenschappen waarvan men zegt, dat je er geen bedrijf, laat staan onze wereld mee op de been houdt. Kunt u zich voorstellen, dat dat berichtje uit de krant mij verraste.