3e zondag in de veertigdagentijd B - 2006

B-cyclus · Vasten · 3e zondag van de Vasten · paars

Zusters en broeders,

Ik was een broekvent van een jaar of veertien toen ik voor het eerst hoorde van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het was onze leraar godsdienst die het erover had, en hij beweerde dat die Rechten niets nieuws brachten ten opzichte van de tien geboden. Een beetje triomfantelijk voegde hij daaraan toe dat die tien geboden wel enkele duizenden jaren ouder waren. Of, met andere woorden, de politieke en sociale, kortom, de wereldlijke mens, had er duizenden jaren meer voor nodig gehad dan de religieuze mens om tot het inzicht te komen dat er zoiets als mensenrechten bestonden.

Rebels als ik was, dacht ik: Ach man, je spreekt voor je eigen winkel, maar mijn nieuwsgierigheid was in elk geval voldoende gewekt om op zoek te gaan naar die Universele Verklaring van de Rechten van Mens. Vandaag is zoiets een fluitje van een cent: je tikt het via het internet in je computer in, en een seconde later heb je de tekst mooi op je scherm. In de jaren vijftig van vorige eeuw was dat heel wat minder makkelijk, maar goed, na lang zoeken vond ik dan toch ergens een exemplaar van de Verklaring, met de 30 artikelen ervan netjes op een rijtje. Dus kon ik vergelijken, en ook nagaan of mijn leraar godsdienst nu al dan niet voor zijn eigen winkel had gesproken.

En dat had hij niet. De Rechten van Mens, geformuleerd in de UNO-Verklaring uit 1948, zijn inderdaad een uitgewerkte versie van de tien geboden, met dien verstande dat de eerste drie geboden eruit verdwenen zijn. En dat heeft een bijzonder diepgaande betekenis: de tien geboden van God zijn dus vooral geboden van en voor de mens. Alleen de eerste drie zijn gereserveerd voor God. Het eerste daarvan: Gij zult geen andere goden hebben ten koste van Mij. En het tweede: Gij zult mijn Naam niet lichtvaardig misbruiken. Dus geen oorlogen in Gods heilige Naam, geen ‘God bless America en zijn imperialisme’, en geen ‘dood aan alle ongelovigen in de naam van Allah’. En ten derde: de sabbat, de zondag, moet heilig zijn voor u. Die dag is voor Mij, uw God, en die dag is ook voor uzelf, voor uw familie, uw huisgenoten, uw vrienden, uw zieken, uw mensen in nood. Aan Mij en aan hen moet gij die dag besteden. En de andere zeven geboden? Die zijn er voor de mens.

Zusters en broeders, God begint zijn Verklaring met een bijzonder betekenisvolle verantwoording. Hij zegt: “Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.” ‘Ik, uw God, heb u bevrijd uit de slavernij, en Ik wil het zo houden. Daarom geef ik u deze geboden mee. Want mijn geboden en verboden zijn geen rem op uw ontwikkeling als mens, integendeel, ze beschermen u tegen elke vorm van slavernij.’ En inderdaad, respect voor de medemens is het kernwoord van alle zeven andere geboden. Eer uw vader en uw moeder, dood niemand, blijf trouw aan uw partner, steel niet, lieg niet en bedrieg niet, vertel geen roddels over je naaste, zet je zinnen niet op de vrouw of het goed van iemand anders.

Zusters en broeders, de tien geboden moeten verhinderen dat de rijken en de machtigen hun rijkdom en hun macht misbruiken om de armen en de zwakken opnieuw in de slavernij te drijven. Want dat is wat de tien geboden voorhouden: rijken en machtigen, handen af van hen die zwak en arm zijn. Misbruik uw macht niet, respecteer uw naaste in alle omstandigheden, of die naaste nu je vader of je moeder is, je buur of je kennis, je vriend of je vijand: respect moet je opbrengen.

Respect is ook wat Jezus in het evangelie eist. Respect voor het Huis van God, met tegelijk de boodschap dat Hijzelf de tempel is én de belichaming van de tien geboden. Die worden niet waargemaakt in geld en in offerdieren, nee, die worden waargemaakt door te leven in het spoor van Jezus. En dat spoor bestaat er juist in dat Jezus leeft voor God en voor de mensen, vooral voor de zwaksten onder hen, want die hebben bijstand nodig. ‘Ik ben niet gekomen voor de gezonden, wel voor de zieken’, zegt Hij op een andere plaats. Niet voor de sterken is Hij er, wel voor de zwakken. Want die moeten beschermd worden tegen de sterken. Zoals God heeft voorgehouden in zijn geboden.

Zusters en broeders, in deze veertigdagentijd willen wij nader bij God komen. Dat doen we in gebed en in vieringen, en daarmee leven we de eerste drie van Gods geboden na. Maar dat doen we ook door ons respect voor onze naaste aan te scherpen, door op te komen voor de zwakken in onze samenleving en in de wereld, door onszelf en onze rijkdom broederlijk te delen met de zwakken, en daarmee komen we de zeven andere geboden na. En zo leven we volgens Gods droom, een droom die voorhoudt dat godsdienst mensendienst is en mensendienst godsdienst. Amen.

Zoeken in Preken Online