Abraham komt uit Babylon, wat nu Irak is. Opgravingen laten zien dat het daar in die dagen niet vreemd was dat er kinderoffers werden gebracht voor de goden van toen. Om ze gunstig te stemmen. Bij de bouw van een stadsmuur bijvoorbeeld. Voor wat hoort wat. Ook de Azteken en Inca’s hebben dat nog lang volgehouden.
Maar Abraham hoort een stem die zegt dat hij juist uit dat land moet weg trekken naar een ander land,
een ander leven, een andere God.
Waarom dan toch dit nare verhaal over een vader, die zijn zoon meent te moeten doden? Waarom is dat opgenomen in de heilige boeken van de drie grote humane geloofstradities: het Jodendom, het Christendom en de Islam. Dat roept grote vragen op.
Gij zult niet doden, is ons toch aangezegd.
Bovendien: ouders beschikken toch niet over hun kind?
En wat is dat voor een wrede God die mensenlevens vraagt? Hoe gelovig moet je zijn om zo je ziel te verkopen en je eigen kind op te offeren?
Je kunt het je gewoon niet voorstellen!
Toch hoeven we niet zo verschrikt te kijken,
want deze verhalen zijn altijd een weerspiegeling
van wat er maar al te vaak gebeurt. Onze eigen geleefde werkelijkheid is soms zelfs nog wreder.
Wij kennen in onze dagen zelfmoordcommando’s in de naam van God. Er worden kindsoldaten naar het front gestuurd. Op de oorlogskerkhoven in Normandië zijn ze 19, 20, 21 jaar oud. En het kind dat in onszelf leeft,
dat wij ten diepste zijn, onze ziel, onze vrijheid,
onze gezondheid, wordt die niet maar al te vaak opgeofferd aan een vreemde macht?
Dan liever geen God, zou ik zeggen.
Hij werd beproefd, staat er boven het verhaal.
Ga de berg op, de plaats waar je God ontmoet,
en offer je zoon. Hij moet dus zijn wonderzoon, zijn Isaac, kind van zijn lach, loslaten. Je eerste kind, dat is in de symbooltaal van de Schrift: je toekomst. Daar leef je voor en daar leef je in voort, dat ben je zelf! Hij moet dus zijn hele toekomst uit handen geven.
Deze pelgrimstocht moet de zwaarste gang van zijn leven zijn geweest. Maar Abraham gaat.
Hij gaat dóór zichzelf heen. Hij gaat de berg op.
De berg, dat is in de wolken, dat is de stilte, dat is inzicht, dat is dicht bij God. In alle religies is dat zo. Als u ooit in de bergen geweest bent, dan weet u zelf hoe dat komt.
Hij gaat de berg op, de latere Tempelberg, en zijn zoon draagt het hout op zijn rug. Hij lijkt plotseling verdacht veel op die andere Mensenzoon die de berg op ging met het hout op zijn schouder.
Drie dagen trekt hij voort, in stilte, in twijfel.
En dan komt hij tot inzicht.
Op de derde dag zag hij de plaats in de verte liggen.
De derde dag: in de schrift altijd de dag van de ommekeer, keerpunt ten goede.
Op de derde dag ziet hij op de berg de heerlijkheid van de Eeuwige.
Hij vertrouwt zich volledig aan Hem toe en legt zijn leven en zijn toekomst in zijn hand. Niet in blinde angstige gehoorzaamheid, maar in het volste vertrouwen dat de Eeuwige er wel in zal voorzien.
Dit verhaal is een echte geloofsbelijdenis.
Hij bindt zijn kind en staat met het mes in zijn hand.
Maar dan klinkt eindelijk die stem:
Vergrijp je niet aan je kind!
En weer die engel, die gevleugelde nabijheid van de Eeuwige, die reddende engel die meer dan 300 maal
in de Schriftverhalen voorkomt en die ook hier
de weg wijst en de toekomst openhoudt.
Abraham hoeft zich niet krampachtig vast te houden aan zijn kind; hij hoeft Isaac niet te binden.
Hij mag vol overgave heel zijn toekomst verwachten uit de hand van de God.
Ik blijf nog wel met vragen zitten. U ook, denk ik.
Maar wat ik hier toch vooral hoor is dit:
Als je zó vertrouwvol durft geloven, alles verwachtend van de Eeuwige, dan is je leven misschien niet meer zo vast en zo zeker, je toekomst niet meer voorspelbaar en berekend. Maar je leven is wel geborgen in Gods hand. Hij zal er in voorzien.
Ook Jezus gaat op deze morgen de berg op, de plaats van Godsontmoeting. Het is kort vóór zijn dood.
Daar heeft hij met zijn leerlingen over gesproken.
Hij heeft een sterke band met de Eeuwige,
maar Hij moet toch ook wel angst gekend hebben.
Je zult er maar zó voor staan.
En dan, midden in die crisis, gaat Hij de berg op om te bidden. Bidden dat is: in het diepst van je ziel
God ontmoeten en jezelf voor God ter sprake brengen,
wie je bent, waar je staat, wat je vrees is en je hoop,
welke weg je zult gaan en waarom.
Hij oriënteert zich opnieuw op de Bron van zijn bestaan en geeft zich in vertrouwen daar aan over.
Hij bidt daar met Mozes en Elia naast zich. Die staan voor de hele Bijbel van toen: Wet en Profeten.
Met hen is hij in gesprek over het geheim van het leven: hoe je vervuld kunt raken van Gods nabijheid;
en hoe je dan sterk staat tegenover het kwaad in de samenleving.
En tijdens dat gebed gebeurt het: Hij raakt zó vol van Gods wezen dat dat doorbreekt als een lichtglans op zijn gezicht.
Alle eeuwen door hebben mensen dat begrepen.
En daarom hebben ze heilige personen ook afgebeeld
met een aureool, een lichtkring rond hun hoofd;
of met een mandala of een aura,
een lichtglans om hun hele persoon.
Want zij wisten: er zijn mensen aan wie God
rakelings nabij is: dat kun je gewoon zien.
Nou, precies zo gaat dat met Jezus.
De gloria, de glans van God zelf is Hem aan te zien.
En Hij hoort weer die stem:
Jij bent mijn veelgeliefd kind. Ik hou van je.
Er staat ook hier weer dat die leerlingen slapen.
Dat staat er altijd om te zeggen: ze hebben maar niet in de gaten wat er gaande is. Ze zijn nog niet tot inzicht, tot bewustzijn gekomen. Ze slapen nog.
Tot ze ineens in Jezus dat licht van Gods licht ervaren.
Het bidden van Jezus daar op de berg betekent dus:
dicht bij God komen, opengaan voor zijn Geestkracht, zijn licht in je toelaten, je helemaal overgeven aan zijn hand, en dan, met God, de berg afdalen, en in de vlakte van het gewone leven weer aan de slag gaan.
Maar nu met nieuw licht en nieuw inzicht.
Hij zal erin voorzien.
Zoiets doen wij hier op ’t Zand op deze morgen.
We gaan als het ware een moment de berg op.
We luisteren naar Mozes en Elia, de verhalen van de Schrift, want die dragen een goddelijke levensvisie in zich. We bidden om Gods aanwezigheid in onze ziel:
die onuitblusbare kracht van liefde. Dat Hij zich mag ontfermen over ons en over onze wereld.
Zo zijn wij hier voor een moment bij elkaar.
Om stil te worden en God te ontmoeten en om de toekomst van onszelf en van de wereld weer in zijn hand te leggen. En dan gaan we weer op weg.
En waar de weg ook heen mag gaan,
Hij zal er in voorzien.
2e zondag van de veertigdagentijd (2009)
B-cyclus · Vasten · 2e zondag van de Vasten · paars