* Het verhaal van de gedaanteverandering komt in het evangelie (Mc 9,2-10) schijnbaar als een verademing tussen Jezus’ lijdensvoorspellingen. In de vastenliturgie sluit dit verhaal aan bij Jezus’ beproevingen in de woestijn die we vorige zondag bij Marcus mochten horen. Bij Matteüs en Lucas komen ze tot leven in de drie verzoekingen die het voorspel vormen van de bekoringen die later de ene Jezus gaan overkomen. Vandaag echter gaat het om de ene bekoring van de drie leerlingen.
1. Jezus heeft zich teruggetrokken op een berg.
- Jezus trok zich vaak terug in het gebergte, vooral ‘s nachts om te bidden. Bergtoppen waren eenzame plaatsen van Godontmoeting. De naam van de berg wordt hier niet genoemd. Een vaste traditie sinds de 4de eeuw verwijst naar de Tabor niet ver van het meer van Galilea, waar vandaag de indrukwekkende kerk van de verheerlijking staat met twee torens boven twee kapellen. Daarin worden Elia en Mozes herdacht. Jezus is er met drie van zijn leerlingen, dezelfde drie die in de Olijfhof getuigen zullen zijn van zijn doodstrijd. Volgens Lucas ‘vallen’ zij oververmoeid in slaap, zoals ze ook in de Olijfhof zullen slapen. Jezus slaapt niet. Hij ‘valt’ voortdurend in gebed. Zijn hart is onophoudelijk naar de Vader gericht. In dit innig en diep contact met de Vader doorbreekt Jezus’ goddelijke kern plots de broosheid van zijn menselijke conditie. Zijn overstelpend wit schitterend licht doet de drie leerlingen ontwaken. Ze zijn gefascineerd. Ze zien ook Elia en Mozes met Jezus in gesprek, en uit een wolk klinkt een stem: “Dit is mijn Zoon, de welbeminde, luister naar Hem”.\
- Was het een illusie van de nog slaperige leerlingen ? Of werd deze transfiguratie pas na Pasen ingelast zoals sommige rationalisten, wars van onverklaarde fenomenen, het graag uitleggen ? Een sterke herinnering ervan is bewaard gebleven, wellicht dank zij Petrus’ secretaris Marcus, en neergeschreven na Petrus’ dood door iemand uit dezelfde school. Die tekst werd overigens voor het eerst gebruikt in de christencommunauteit van Alexandrië, die volgens een betrouwbare traditie juist door Marcus was gesticht. De overtuigende strijdtoon laat er geen twijfel over: “Wij hebben ons niet beroepen op vernuftig bedachte mythen, zegt Petrus, maar wij waren ‘ooggetuigen’ van zijn grootheid… En de stem uit de hemel hebben wij ‘gehoord’ toen we samen met Hem waren op de heilige berg…” (2 Pe 1,16-18). Ongetwijfeld een ervaring die Petrus nooit meer ging vergeten.
2. En de spontane reactie van Petrus is: “Laten wij drie tenten opslaan”.
- Nomaden wonen in tenten. De openbaringstent was ooit de plaats waar God verbleef, waarin het volk meende God vast te houden: “Laten we dat Licht behouden onder het tentdoek. Laat ons blijven vertoeven bij deze verrukking”. Sinds alle eeuwen, in alle culturen, willen religieuze mensen de extase vasthouden desnoods in tempels. Zo wilde David voor de Heer een huis bouwen, maar de Heer zei hem dat Hijzelf voor hem een (ander) huis zou bouwen. Maria Magdalena wilde de verrezen Jezus bij de voeten grijpen als om Hem te bezitten. De Emmaüsleerlingen smeekten “Blijf bij ons, Heer…”. Het is een bekoring. In de zaligheid kunnen wij niet nestelen. Geloven is ook weer loslaten. Petrus wist niet wat hij zei en besefte niet dat de Mensenzoon eerst moest lijden om dan op te staan. De leerlingen begrepen niet wat dat opstaan uit de doden betekende. Zij verstonden evenmin wat Elia en Mozes er precies kwamen doen. Deze symboliseerden Wet en Profeten en waren ook figuren van de eindtijd: volgens de Joodse traditie zouden beiden nog terugkomen (Mal 3,22-24). De nieuwe tijd was zeker aangebroken. Maar ze waren ook bijbelse groten die van op een berg - Elia van op de Karmel, Mozes van op de Sinaï - een vlucht of uittocht hadden meegemaakt. De gloed van de bergen was voorbijgaand. Nu spraken ze met Jezus ook over zijn exodus (Lc 9,31). Jezus liet niet na voortdurend naar zijn uittocht, zijn lijden en dood te verwijzen alvorens Hij verrijzen zou. Daarom herdefinieert Hij zijn Messiasschap en het leerling zijn. Het zal anders zijn dan de publieke opinie het voorstelde. Na de verrukking komt verdrukking ook voor wie leerling is. De leerlingen konden dit nog niet begrijpen, noch aanvaarden, laat staan doorvertellen. Vandaar die geheimhouding: “Jezus verbood hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden”.\
- Ook wij horen vaak thuis bij die grijpende maar niet begrijpende leerlingen. We leven in dezelfde bekoring. Wij dromen graag van het voorbije rijke Roomse Leven. We kenden de glans van een christelijke cultuur waarbij de overgrote meerderheid opkeek naar het gezag van een sterke Kerk: troostende momenten van uiterlijke bloei. We wilden het zo houden. Doch reeds twintig eeuwen wordt de Kerk vervolgd. De verkondiging van het evangelie heeft het vandaag moeilijk in Azië, in tal van Moslimlanden. Maar niet minder bij ons. Die weerstand is een onbloedige maar uiterst geraffineerde aanval. Dat voel je zo aan in de media, waarin het geloof en de christelijke moraal dikwijls als voorbijgestreefd en belachelijk worden voorgesteld, of waarin de berichtgeving van de Kerk eenzijdig wordt geïnterpreteerd en verdraaid. Zulke aanval is de gevaarlijkste wanneer hij komt uit eigen rangen, en je niet klaar ziet wie de vijand is of waar hij schuilt, en soms opdaagt als een vriend. Ook dat is zuiverende proeftijd die aan ons Pasen voorafgaat. Pas daarna komt de verrijzenisvreugde. Gods feest is niet het begin maar het einde, de bekroning van een lange tocht.