Zusters en broeders,
Wie al in de woestijn geweest is, weet het: woestijn, dat is zand, dat zijn zandstormen en kale rotsen, dat is onleefbaarheid. Woestijn is leegte.
Woestijn komt ook heel dikwijls voor in de Bijbel: ongeveer tweehonderd keer is er sprake van. En ook in de Bijbel is woestijn leegte, maar tegelijk is ze bezinning. Dikwijls is de Bijbelse mens die in de woestijn verblijft even leeg als die woestijn zelf, en vanuit die innerlijke leegte kan hij God ontmoeten. Het meest bekend is ons wellicht de woestijn uit het verhaal van de uittocht uit Egypte en de tocht naar het beloofde land. Veertig jaar lang moeten de Israëlieten door de Sinaïwoestijn ronddolen vooraleer ze het beloofde land kunnen binnentrekken. Ik denk dat die veertig jaar geen historisch maar wel een symbolisch getal is, dat suggereert dat het heel lang duurt voor de Israëlieten erin slagen de leegte van de woestijn tot de hunne te maken en zich te zuiveren van afgoderij, van het gouden kalf, van alles wat hen verwijdert van God. Onnoemelijk lang duurt het, want telkens opnieuw vervallen ze in het kwade, zijn ze God ontrouw, komen ze in opstand tegen Hem en zijn dienaar Mozes. Zolang ze die ontrouw niet definitief afzweren, en zolang ze Gods geboden niet definitief tot de hunne maken, zolang kunnen ze het beloofde land niet binnentrekken.
In het evangelie van vandaag lezen we dat Jezus door de Geest naar de woestijn gedreven wordt om er door de satan op de proef gesteld te worden. En in de woestijn verbleef Hij bij de wilde dieren. We weten wat die wilde dieren zijn: de verleidingen waarmee de duivel Hem van zijn zending probeert af te brengen. De verleiding van het egoïsme en het materialisme, van de macht, van het verlangen zelf god te zijn. Maar Jezus wijst die wilde dieren af, Hij kiest niet voor zichzelf, Hij kiest voor God en voor zijn medemens, en dus komen Gods engelen Hem dienen.
Zusters en broeders, vandaag dolen velen rond in een almaar groeiende woestijn. Letterlijk, want zowel in Afrika als in Noord-Amerika groeit de woestijn elk jaar met honderden vierkante kilometer aan door het wangedrag van de mens ten aanzien van de natuur. En figuurlijk, door het groeiende egoïsme van staten en individuen, door het gebrek aan solidariteit tussen rijk en arm en zwak en sterk, door de waanzinnige rijkdom van enkelen en de onuitsprekelijke armoede van honderden miljoenen anderen, door de onwil van volkeren en hun leiders om het onrecht te lijf te gaan en vrede te stichten, door de misgroei binnen de islam, waar geweld en onderdrukking al lang de plaats van God hebben ingenomen. En mensen dolen ook rond in de woestijn van zichzelf door de gebroken relaties, de depressies, het gevoel van ongeluk en tegenslag en de verzuring. Leegte is aan de orde. Leegte die alleen bevolkt wordt door de wilde dieren van onze tekortkomingen.
Zusters en broeders, de Israëlieten konden pas het beloofde land betreden wanneer ze de wilde dieren van de afgoderij hadden verdreven en wanneer ze God hadden ontmoet. Ik denk dat dit ook voor onze wereld en voor ieder van ons geldt. Ik denk dat de wereld en wijzelf pas in een oase van hoop zullen belanden wanneer we in onszelf en in deze wereld plaats hebben gemaakt voor God. Dan zullen zijn engelen ons dienen, zoals ze Jezus hebben gediend: de engelen van vrede en gerechtigheid en liefde en broederlijkheid. En ik denk ook dat de veertigdagentijd een uitgelezen tijd is om die wilde dieren te lijf te gaan en de leegte achter ons te laten, zodat God zijn boog in de wolken kan plaatsen. De boog die ons verbindt met Hem en met alle volkeren met wie we in deze vastentijd broederlijk willen delen, als een teken van het verbond dat hemel en aarde en alle mensen op deze aarde omspant. “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij”, zegt Jezus. En Hij voegt daaraan toe: “Bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap.”
Moge het zo zijn. Amen.