Beeld van God (2006)

B-cyclus · Vasten · 1e zondag van de Vasten · paars

Op onze uitnodiging om vragen aan God te stellen heeft u veelvuldig gereageerd. Luisterend naar allerlei reacties die op ons initiatief worden gegeven, weet ik dat er nog veel meer mensen aan het denken gegaan over hún vraag aan God. Het bleek hen al doende dat het toch minder eenvoudig was dan het op het eerste oog leek. ‘Ik loop er al een paar weken over te denken….’, ‘krijgen we er ook een handreiking bij hoe deze opdracht te klaren?’ ‘de vraag ligt voorbij het hoofd en het denken, op een intiemer gebied van het hart. Dat maakt me bij het formuleren van een vraag en het openbaar maken daarvan kwetsbaar..’
Er zit een dubbel probleem in onze simpele uitnodiging: allereerst is het zo dat een vraag zelden alleen maar een vraag is, bijna altijd zit er ook een, meestal verborgen, stelling achter een mening, die men via een vraag naar buiten brengt. Hoe je het wendt of keert, een vraag stellen aan God heeft alles van doen met de kijk die je hebt op God.

Er waren een aantal vragen die het thema ‘het beeld van God’ heel uitdrukkelijk in zich droeg. Enkele voorbeelden:
Wat betekent het woord ‘God’?
Waarom mag je God niet tekenen?
We kunnen iemand bellen, mailen of schrijven maar hoe kom ik in contact met God?
Er staat geschreven, wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet, gij zult niet echtbreken. Hoe moeten vrouwen die door hun echtgenoten worden behandeld, dit gebod begrijpen?
God, Wat ben je nou eigenlijk?
God ik vraag me wel eens af waarom de dingen gaan zoals ze gaan, als er een voorzienigheid is dan merk ik er weinig van….

Het zijn oervragen van mensen.
Zolang er mensen zijn hebben ze zich vragen gesteld over God, wie of wat Hij is, wat Zij wel of niet van mij verlangt en hoe de relatie tussen de mens en God zou zijn.
Het beeld van God kan zijn zoals dat van het kleine meisje Anna had. Het is beschreven in een van de treffendste boeken die ik ken over God. Zij begon altijd eenvoudig met: ‘Hallo meneer God, met Anna’ en ze deed dat zo vertrouwelijk dat je zou denken dat hij achter je zou staan als je omkeek, zo schreef haar volwassen vriend later in zijn boekje over haar …
Maar het beeld van God kan ook veel minder tastbaar zijn, vaag wellicht, zoals iemand die ons liet weten: “ik vind het bar moeilijk een vraag te stellen aan God want vragen stel je aan mensen, niet aan God want dan heb je de neiging God als een mens te zien, dus ga je Hem ook menselijke vragen stellen. Maar God is nu eenmaal God….”

Laat ik nu aan het begin van deze veertigdagentijd, die voor onze geloofsgemeenschap zoiets gaat worden als een retraite, een tijd van bezinning over de kern van ons gelovig vertrouwen, over God, iets heel duidelijk voorop stellen. Wat God betreft en bij het over hem of haar spreken en zwijgen, over hem of haar iets menen te weten, we zijn allemaal even wijs.
Misschien dat de een wat gemakkelijker iets over zijn of haar ervaringen en belevenissen in zijn zoeken naar God durft te vertellen, maar laat u door een vlotte babbel en een fraai gestileerde tekst -en zeker ook niet door mij vandaag in de war brengen- als het erop aan komt weten we over God allemaal even weinig. Spreken over Hem blijft zoeken en tasten.
Augustinus, bisschop in Noord-Afrika in de 4e eeuw zegt erover: “Wat zullen we over God zeggen? Als je over Hem spreken wilt en je begrijpt wat je zegt, dan is het God niet. … Als je meent het te kunnen begrijpen, heb je je laten bedriegen door je eigen gedachten”.

Godsbeelden
In de bijbel is de vraag “wie is God” een vraag die voortdurend speelt als achtergrond en soms als voorgrond bij de verhalen die verteld worden. Tussen begin en einde is het geheel vervat, daarom kozen we als lezing vandaag een verhaal uit het begin van de bijbel en een verhaal uit het laatste boek van de Bijbel.

De bijbel begint met een serie verhalen die een verbeelding geven van twee hoofdrolspelers: God. Hij schept, creëert, alles wat er is. Alles heeft het bestaan aan Hem te danken.
De mens is de andere speler. Hij is de kroon op alles wat is geschapen. Hij is gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis.
Die eerste hoofdstukken vertellen verhalen die vooral verstaan moeten worden als verhaal over ons nu, over onze tocht door de wereld nú. Deze verhalen kunnen we het beste in het heden verstaan, beter dan als verhalen over hoe het eens geweest zou zijn.

Hoe is de mens?
Het verhaal van Babel, over de mensen in de stad is een verhaal in een serie waarin de mens zich steeds meer afkeert van de bedoelingen die God met hem heeft. God heeft de mens in het leven geroepen en hem de taak gegeven de aarde en alles wat er is te hoeden en te beheren.
Wat doet de mens met al die vrijheid? Hij vergeet al snel wie hij is en wil zelf God zijn, dat blijkt uit alles: in de tuin streeft hij de kennis en dus macht na over alles, vervolgens vergrijpen mensen zich aan het leven van de ander, een groeiende slechtheid, alles wordt weggevaagd in de zondvloed. God begint opnieuw.
Maar het verhaal van Babel leert ons dat de mens hardnekkig is: hij komt -voor de zoveelste keer- in opstand tegen God, wil zijn plaats overnemen. Met zijn toren tot in de hemel naam = macht te verkrijgen over de gehele aarde en tot in de hemel voelt God zich bedreigd door die omhoog strevende mens, door de mens die zichzelf in het centrum stelt en alles naar zich toetrekt en God brengt verwarring door de mens in zijn taal te treffen.

Maar wat doen mensen? In plaats van te handelen als God ontwerpt de mens zich een voorstelling van God als de straffende, als degene die min of meer willeurig ge- en verboden uitdeelt, als iemand voor wie je je zou kunnen verbergen en die je om de tuin zou kunnen leiden, als iemand die allerlei rampen en ziektes op ons afstuurt. De mens leeft in die bijbelverhalen -maar is het in ons leven anders?- teveel gericht op zichzelf, trekt alles naar zichzelf toe, verklaart zich tot het middelpunt, vraagt alle aandacht, al zijn er ook voortdurend uitzonderingen zoals Noach, Abraham, Mozes…..
Eigenlijk draaien we de rollen om. In plaats van zelf beeld en gelijkenis van God te zijn, maken wij ons een beeld van God naar onze maat en onze opvattingen. We maken van God een soort mens, nou ja een supermens die alles kan wat wij zouden willen maar waartoe we onmachtig zijn. Daarmee doen we afbreuk aan God.

Misschien kan ik dit alles nog wat verder verduidelijken met een citaat uit dat boekje over Anna.
“Het eenvoudigste en mooiste dat mijn moeder en Anna met elkaar gemeen hadden, was hun verhouding tot Meneer God. De meeste mensen die ik kende, gebruikten God als een excuus voor hun eigen mislukking: ‘hij had dit toch moeten doen,’ of: ‘waarom heeft God mij dit aangedaan?’ Maar voor mam en Anna waren de moeilijkheden en tegenslagen alleen maar gelegenheden om iets te kunnen doen. Als iets lelijk was dan had je de kans om het mooi te maken. Verdriet gaf je de gelegenheid om iemand weer blij te maken. Meneer God was er voor hen altijd….’ pg. 30-31


Hoe is God in die verhalen?
Tegelijk blijft God een goeierd om het zo maar eens te zeggen: de mens hoeft ook maar even te laten merken dat hij door heeft wat God van hem vraagt (Noach) en God is in de weer om de mens te beschermen tegen kwade invloeden, hij zegent de ontplooiing van de mens over de hele aarde.
Ondanks de eigenzinnigheid van de mens, ondanks de weigering steeds opnieuw om zijn plaats te kennen,beschermt God hem: geeft hem kleren, laat hem in leven, laat hem ontplooien en hij vraagt er niets voor terug, hij laat de mens mens zijn. God is er helemaal voor mensen en vraagt helemaal niets voor zichzelf. Naarmate de mens meer tot zijn wezen komt, in die mate komen we God minder tegen.
God werkt van zichzelf af, hij vraagt geen aandacht, hij is totaal gericht op naar buiten en naar de ander, de mens.
Zo wordt duidelijk hoe eenvoudig het eigenlijk is: het zit in ons wezen ingebakken en ingeblazen dat we leven en handelen als Gods beeld en gelijkenis op deze aarde. Daarbij hoeven we ons over God zelf niet druk te maken, zoals geleerde christenen het wel eens hebben beschreven: we moeten handelen alsof God niet bestaat.
Als wij erin zouden slagen om werkelijk naar Gods beeld en gelijkenis te leven, dus in een levenshouding die vanuit onszelf gericht is op de ander, onbaatzuchtig, de ander bevorderend, de wereld en alles wat er is behoedend en beherend en niet verbruikend en verterend….. ja dan….. kwam God vanzelf tot zijn recht.


En als we meer zouden willen weten over God, want dat nieuwsgierige en zoekende zit nu eenmaal in ons, wat dan?
Misschien kunnen we ons laten inspireren door wat een van ons schreef om tot een vraag te komen:
“Op een rustige avond ga ik er eens goed voor zitten. Het is stil in huis. Telefoon staat uit. Kaarsje aan. Ik zit. Geknield. Stevig gegrond. Ik adem in en uit. Stilte? Het is een kakofonie in mijn hoofd. Flarden gedachten, jachtige vragen. Wat een onrust. Ik zit ik adem in en uit. Knielen in de stilte.
Vele delen van mij stellen hun vragen: vragen over leed in de wereld, vragen over mijn ideeën, meningen, oordelen, waarden waar ik me soms aan vastklamp. Vragen over mijn opdracht in het leven: wat wilt u dat ik doe? Wat vraagt u van mij?
Toch is dit nog niet de wezenlijke vraag. Ik wacht op de vraag waar ik niet zelf het verstandelijke antwoord op kan bedenken, maar de vraag waarop ik een antwoord van de Ander ten diepste verlang. Het zoeken naar mijn vraag aan God wordt innerlijk gebed. Stil en zwijgend aanwezig zijn. Ik luister naar de vraag die opwelt uit mijn hart. Mijn vraag is kinderlijk eenvoudig: God, vind je me lief, God hou je van mij?”.

Een houding als hier wordt beschreven is misschien wel de houding waarmee we de tweede lezing uit het laatste bijbelboek aankunnen. Als we alles hebben gehad ons tot het uiterste hebben ingespannen om onze vrijheid vorm te geven naar inzet voor de ander, trouw en gerechtigheid naar de ander, dan kunnen er in stilte en overgave visioenen gaan ontstaan over God, kan hij echt tot ons gaan spreken, als het hem belieft…
Het is wel een hachelijke onderneming, want dan zullen we beseffen hoezeer Hij ons te boven gaat; ons verstand en ons gehele wezen te boven…. God de totaal Andere, van wie we ons werkelijk geen beeld kunnen vormen en toch mogen we zeggen: draag mij ik ben jouw kijkend kind, ook al is hij God alleen.

Zoeken in Preken Online