Eerste zondag in de Veertigdagentijd (2006)

B-cyclus · Vasten · 1e zondag van de Vasten · paars

Inleiding

‘Wanneer mijn dienaar Mij aanroept, geef Ik gehoor,’ zongen we in het openingslied. Wie is die ‘Mij?’ Wie is die dienaar, en wie zijn er zo intiem met elkaar? Dat zijn God en zijn Zoon. De psalmen werden gezongen door het Joodse volk, en die geschiedenis mondt uit in het Kind, de Zoon van God, en in ons. Wij zijn in de Zoon opgenomen, in dat intieme gebeuren tussen de Vader en de Zoon. Het is een tijd van intimiteit met God, van geborgenheid bij God, maar ook een tijd van ongeborgenheid bij de mensen. Maar in die ongeborgenheid, in die verlatenheid, is Hij nabij. Dat is de zin van de Veertigdagentijd. Mensen, overgelaten, uitgeleverd aan de harde omstandigheden van het menselijk bestaan, krijgen gedurende deze veertig dagen de gelegenheid vrij te worden van zichzelf en intimiteit te beleven met God. Heel de Kerk gaat deze toestand binnen, om door de hardheid heen, iets warms, iets intiems te beleven met Iemand die heel nabij is. In dat bestaan zijn wij geroepen door het sacrament van het doopsel, toen wij kinderen werden van God.**

Homilie

In de intredezang zongen we: ‘Wanneer mijn dienaar Mij aanroept, geef Ik gehoor. Ik zal hem redden en hem aanzien verlenen; een lang leven zal Ik hem schenken.’ Wie is die Mij, wie is die Ik? En wie is die dienaar? Die Ik-figuur is God en de dienaar is zijn volk, dat in de woestijn door God tot Zoon wordt aangenomen. In het Nieuwe Testament wordt heel het volk in één mens gepresenteerd: in Jezus. In de Zoon zijn wij tot een nieuw volk geworden, en door het doopsel zijn wij in dat volk ingevoegd, doordat wij kind van God zijn geworden, net als Israël, net als Jezus.

Dat volk werd in de woestijntijd door harde beproevingen tot het volk van God gevormd. Dikwijls hebben zij het laten afweten. Zij hebben zich afgevraagd of God wel in hun midden was, zij hebben gemord, gemopperd, terugverlangd naar de vleespotten van Egypte, zij wilden zijn volk niet meer zijn, zij hebben hun oor geleend aan andere goden en die verre God van de Sinaï ontrouw geworden. Maar Jezus, verkerend in dezelfde woestijnsituatie, doorstaat dezelfde beproevingen glansrijk. Hij geeft het enige juiste antwoord namens heel het volk.
Zo gaat de Kerk opnieuw, zoals heel het Joodse volk en zoals Jezus aan het begin van zijn openbare leven, de woestijn in voor veertig dagen, om door de hardheid heen, iets warms, iets intiems te beleven met Iemand die heel nabij is.

“In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld.” Woestijn. Wat maakt de woestijn voor mensen zo aantrekkelijk, wat maakt haar fascinerende schoonheid uit, wat is er zo bekoorlijks aan, dat mensen daar altijd door aangetrokken worden? Wat is de aantrekking tot oorden waar zo weinig leven is, zo weinig vruchtbaarheid en vervulling? Oorden waar alleen maar armoede, dode stenen, levenloos zand, verstikkend stof je omgeving uitmaken. Wat is het betoverende van dit landschap van de dood? Zijn het de bizarre vormen van de natuur die iets hebben van surrealistische kunstwerken, die iets nieuws en tot dan toe ongeziens te voorschijn brengen?

De woestijn heeft iets van het onberoerde, maagdelijke van het paradijs, de natuur is er nog helemaal zichzelf, nog helemaal niet aangeraakt door mensenhanden, door menselijke techniek en niet voor een of ander doel omgevormd. Dan rijst echter de vraag: waarom is de dood schoner dan het leven?
De armoede van de woestijn is de armoede van het nulpunt. Het kan niet armer dan dat, van daaruit kan het alleen nog maar opwaarts gaan, van de leegte naar de volheid, van de verwoesting door de zondvloed naar een nieuwe schepping, van het gebrek naar de overvloed, van de dood naar het leven. Het zuivere niets roept het zuivere alles op. Onder de mantel van armoede, gebrek, onvruchtbaarheid en dood verwijst de woestijn naar iets nieuws. Wat de woestijn haar schoonheid geeft, is dat zij ergens in zich een bron verbergt.

Zo is het niet verwonderlijk, dat in de heilsgeschiedenis het leven van het volk van God juist begint vanuit dit nulpunt: de woestijn. En het is ook niet toevallig of willekeurig dat dit volk en sommige enkelingen steeds weer moeten terugkeren in de woestijn om die onbegrijpelijke ommekeer te ervaren. In de woestijn beleeft de mens de genade van het nulpunt. In de woestijn, waar alles naar dood smaakt, naar onvruchtbaarheid, kaalheid en leegte, beleeft men aan den lijve, dat men uit zichzelf helemaal niets kan en dat men zo helemaal ontvankelijkheid wordt voor en vol verwachting is van Hem, die aan allen rijkdom, volheid, en vruchtbaarheid kan geven.
Is het daarom zo verwonderlijk, dat het juist de rijke en zelfbewuste, door en door georganiseerde Kerken van de welvaartslanden in het Westen zo slecht gaat, of beter, dat men haar de genade van het nulpunt, een stuk weg door de woestijn toewenst?

De woestijn is in de geschiedenis het oord waar God Israël opnieuw heeft ontdekt als zijn enige zoon.“God heeft Israël gevonden in de woestijn, in de wildernis, dat oord vol gehuil. Hij heeft het verzorgd en bewaakt, als de appel van zijn oog het behoed, zoals een arend die ziet naar zijn jongen, en boven hen heen en weer vliegt, die zijn vleugels uitspreidt voor hen, hen opneemt en draagt op zijn wieken. De Heer alleen heeft zijn volk geleid, geen vreemde god heeft naast Hem gestaan” (Dt 32,10-13). God droeg Israël in de woestijn zoals iemand zijn zoon draagt, door alle gevaren heen. De woestijntijd is de tijd van een bijzondere voorzorg en liefde van God voor zijn volk: “Hij heeft voor u gezorgd op uw tocht door die grote woestijn; al die veertig jaren is de Heer uw God met u geweest, zodat het u aan niets heeft ontbroken (Dt 2,7)“Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven, dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien” (Dt 8,3).
De woestijntijd is de tijd waarin Israël heeft ervaren, hoe het helemaal afhankelijk was van God en zijn geleide.

De woestijn is de plaats waar God zijn volk probeerde op te voeden en op de proef stelde: “Besef dan dat de Heer uw God u heeft opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt” (Dt 8,5). Israël moest leren zich alleen aan de geboden van God te houden en de Heer zijn enige God te laten zijn. Daarom zond God over Israël nood en kwelling om te onderzoeken hoe Israël in de diepte van zijn hart tot God stond. Maar Israël heeft die proef niet doorstaan. Het stelde zijn vertrouwen op andere goden, op het gouden kalf bij de Horeb (Dt 9,16), het hield zich niet aan de aanwijzingen van God, en het heeft God getart en zich steeds weer verzet tegen Gods leiding.


De heilige Geest drijft Jezus naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. “Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten.” De woestijn is een hemels engelenland en een gevaarlijk beestenland, en tussen beiden in staat de mens om een keuze te maken. Zo wordt ook Jezus in deze dubbele belevingswereld van de woestijn bekoord.

Het verslag van Jezus’ bekoringen in de woestijn gedurende de veertig dagen, is een hernemen van de veertig jaren van de uittocht. Niet alleen het getal veertig duidt daarop, maar het verwijst ook naar het wezen van wat daar is voorgevallen: in het ondergaan van één lange beproeving is Israël door God aangenomen als zijn zoon. “Dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt de Heer: Israël is mijn eniggeboren Zoon” (Ex 4,22). Mozes werd door de vuurzuil, dat is de heilige Geest, naar de woestijn geleid. “Blijft denken aan heel die tocht van veertig jaar, die de Heer uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen: Hij wilde zien of ge zijn geboden wilde onderhouden of niet” (Dt 8,2). Zo wordt ook Jezus door de Geest naar de woestijn gedreven, om daar zijn verzoeking of beproeving te doorstaan. Door zijn overwinning op de bekoring van de woestijn openbaart Jezus Zich als het enige trouwe volk, het ware Israël, de Zoon van God.

De mens zei nee, Jezus zei ja tot God. Hij spreekt dit ‘ja’ voor ons uit, plaatsvervangend, in onze plaats. Niet in de zin van een prestatie in onze plaats, maar zo, dat Hij ons in zijn ‘ja’, in zijn geloof en overgave aan de Vader, binnentrekt. Zo is Hij de nieuwe en definitieve Mozes, die in de woestijn namens zijn volk voor Gods aanschijn treedt en voor dit volk instaat.
Alleen zo kan de vastgelopen mensengeschiedenis van binnen uit hersteld en uit het slop getrokken worden, als wij tenminste één lichaam met Hem vormen, en één Geest, en in onze beproevingen een beroep doen op zijn kracht en zijn licht.

Zoeken in Preken Online