Inleiding
‘Wanneer mijn dienaar Mij aanroept, geef Ik gehoor,’ zongen we in het openingslied. Wie is die ‘Mij?’ Wie is die dienaar, en wie zijn er zo intiem met elkaar? Dat zijn God en zijn Zoon. De psalmen werden gezongen door het Joodse volk, en die geschiedenis mondt uit in het Kind, de Zoon van God, en in ons. Wij zijn in de Zoon opgenomen, in dat intieme gebeuren tussen de Vader en de Zoon. Het is een tijd van intimiteit met God, van geborgenheid bij God, maar ook een tijd van ongeborgenheid bij de mensen. Maar in die ongeborgenheid, in die verlatenheid, is Hij nabij. Dat is de zin van de Veertigdagentijd. Mensen, overgelaten, uitgeleverd aan de harde omstandigheden van het menselijk bestaan, krijgen gedurende deze veertig dagen de gelegenheid vrij te worden van zichzelf en intimiteit te beleven met God. Heel de Kerk gaat deze toestand binnen, om door de hardheid heen, iets warms, iets intiems te beleven met Iemand die heel nabij is. In dat bestaan zijn wij geroepen door het sacrament van het doopsel, toen wij kinderen werden van God.**
Homilie
In
de intredezang zongen we: ‘Wanneer mijn dienaar Mij aanroept, geef Ik
gehoor. Ik zal hem redden en hem aanzien verlenen; een lang leven zal
Ik hem schenken.’ Wie is die Mij, wie is die Ik? En wie is die dienaar?
Die Ik-figuur is God en de dienaar is zijn volk, dat in de woestijn
door God tot Zoon wordt aangenomen. In het Nieuwe Testament wordt heel
het volk in één mens gepresenteerd: in Jezus. In de Zoon zijn wij tot
een nieuw volk geworden, en door het doopsel zijn wij in dat volk
ingevoegd, doordat wij kind van God zijn geworden, net als Israël, net
als Jezus.
Dat volk werd in de woestijntijd door harde
beproevingen tot het volk van God gevormd. Dikwijls hebben zij het
laten afweten. Zij hebben zich afgevraagd of God wel in hun midden was,
zij hebben gemord, gemopperd, terugverlangd naar de vleespotten van
Egypte, zij wilden zijn volk niet meer zijn, zij hebben hun oor geleend
aan andere goden en die verre God van de Sinaï ontrouw geworden. Maar
Jezus, verkerend in dezelfde woestijnsituatie, doorstaat dezelfde
beproevingen glansrijk. Hij geeft het enige juiste antwoord namens heel
het volk.
Zo gaat de Kerk opnieuw, zoals heel het Joodse volk en
zoals Jezus aan het begin van zijn openbare leven, de woestijn in voor
veertig dagen, om door de hardheid heen, iets warms, iets intiems te
beleven met Iemand die heel nabij is.
“In die
tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij in
de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld.”
Woestijn. Wat maakt de woestijn voor mensen zo aantrekkelijk, wat maakt
haar fascinerende schoonheid uit, wat is er zo bekoorlijks aan, dat
mensen daar altijd door aangetrokken worden? Wat is de aantrekking tot
oorden waar zo weinig leven is, zo weinig vruchtbaarheid en vervulling?
Oorden waar alleen maar armoede, dode stenen, levenloos zand,
verstikkend stof je omgeving uitmaken. Wat is het betoverende van dit
landschap van de dood? Zijn het de bizarre vormen van de natuur die
iets hebben van surrealistische kunstwerken, die iets nieuws en tot dan
toe ongeziens te voorschijn brengen?
De woestijn heeft iets van
het onberoerde, maagdelijke van het paradijs, de natuur is er nog
helemaal zichzelf, nog helemaal niet aangeraakt door mensenhanden, door
menselijke techniek en niet voor een of ander doel omgevormd. Dan rijst
echter de vraag: waarom is de dood schoner dan het leven?
De armoede
van de woestijn is de armoede van het nulpunt. Het kan niet armer dan
dat, van daaruit kan het alleen nog maar opwaarts gaan, van de leegte
naar de volheid, van de verwoesting door de zondvloed naar een nieuwe
schepping, van het gebrek naar de overvloed, van de dood naar het
leven. Het zuivere niets roept het zuivere alles
op. Onder de mantel van armoede, gebrek, onvruchtbaarheid en dood
verwijst de woestijn naar iets nieuws. Wat de woestijn haar schoonheid
geeft, is dat zij ergens in zich een bron verbergt.
Zo is het
niet verwonderlijk, dat in de heilsgeschiedenis het leven van het volk
van God juist begint vanuit dit nulpunt: de woestijn. En het is ook
niet toevallig of willekeurig dat dit volk en sommige enkelingen steeds
weer moeten terugkeren in de woestijn om die onbegrijpelijke ommekeer
te ervaren. In de woestijn beleeft de mens de genade van het nulpunt.
In de woestijn, waar alles naar dood smaakt, naar onvruchtbaarheid,
kaalheid en leegte, beleeft men aan den lijve, dat men uit zichzelf
helemaal niets kan en dat men zo helemaal ontvankelijkheid wordt voor
en vol verwachting is van Hem, die aan allen rijkdom, volheid, en
vruchtbaarheid kan geven.
Is het daarom zo verwonderlijk, dat het
juist de rijke en zelfbewuste, door en door georganiseerde Kerken van
de welvaartslanden in het Westen zo slecht gaat, of beter, dat men haar
de genade van het nulpunt, een stuk weg door de woestijn toewenst?
De woestijn is in de geschiedenis het oord waar God Israël opnieuw heeft ontdekt als zijn enige zoon.“God heeft Israël gevonden in de woestijn, in de wildernis, dat oord
vol gehuil. Hij heeft het verzorgd en bewaakt, als de appel van zijn
oog het behoed, zoals een arend die ziet naar zijn jongen, en boven hen
heen en weer vliegt, die zijn vleugels uitspreidt voor hen, hen opneemt
en draagt op zijn wieken. De Heer alleen heeft zijn volk geleid, geen
vreemde god heeft naast Hem gestaan” (Dt 32,10-13). God droeg
Israël in de woestijn zoals iemand zijn zoon draagt, door alle gevaren
heen. De woestijntijd is de tijd van een bijzondere voorzorg en liefde
van God voor zijn volk: “Hij heeft voor u gezorgd op uw
tocht door die grote woestijn; al die veertig jaren is de Heer uw God
met u geweest, zodat het u aan niets heeft ontbroken (Dt 2,7)“Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna
te eten gegeven, dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien” (Dt 8,3).
De woestijntijd is de tijd waarin Israël heeft ervaren, hoe het helemaal afhankelijk was van God en zijn geleide.
De woestijn is de plaats waar God zijn volk probeerde op te voeden en op de proef stelde: “Besef dan dat de Heer uw God u heeft opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt” (Dt
8,5). Israël moest leren zich alleen aan de geboden van God te houden
en de Heer zijn enige God te laten zijn. Daarom zond God over Israël
nood en kwelling om te onderzoeken hoe Israël in de diepte van zijn
hart tot God stond. Maar Israël heeft die proef niet doorstaan. Het
stelde zijn vertrouwen op andere goden, op het gouden kalf bij de Horeb
(Dt 9,16), het hield zich niet aan de aanwijzingen van God, en het
heeft God getart en zich steeds weer verzet tegen Gods leiding.
De heilige Geest drijft Jezus naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. “Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten.” De
woestijn is een hemels engelenland en een gevaarlijk beestenland, en
tussen beiden in staat de mens om een keuze te maken. Zo wordt ook
Jezus in deze dubbele belevingswereld van de woestijn bekoord.
Het
verslag van Jezus’ bekoringen in de woestijn gedurende de veertig
dagen, is een hernemen van de veertig jaren van de uittocht. Niet
alleen het getal veertig duidt daarop, maar het verwijst ook naar het
wezen van wat daar is voorgevallen: in het ondergaan van één lange
beproeving is Israël door God aangenomen als zijn zoon. “Dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt de Heer: Israël is mijn eniggeboren Zoon” (Ex
4,22). Mozes werd door de vuurzuil, dat is de heilige Geest, naar de
woestijn geleid. “Blijft denken aan heel die tocht van veertig jaar,
die de Heer uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen
vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen: Hij
wilde zien of ge zijn geboden wilde onderhouden of niet” (Dt 8,2). Zo
wordt ook Jezus door de Geest naar de woestijn gedreven, om daar zijn
verzoeking of beproeving te doorstaan. Door zijn overwinning op de
bekoring van de woestijn openbaart Jezus Zich als het enige trouwe
volk, het ware Israël, de Zoon van God.
De mens zei nee, Jezus
zei ja tot God. Hij spreekt dit ‘ja’ voor ons uit, plaatsvervangend, in
onze plaats. Niet in de zin van een prestatie in onze plaats, maar zo,
dat Hij ons in zijn ‘ja’, in zijn geloof en overgave aan de Vader,
binnentrekt. Zo is Hij de nieuwe en definitieve Mozes, die in de
woestijn namens zijn volk voor Gods aanschijn treedt en voor dit volk
instaat.
Alleen zo kan de vastgelopen mensengeschiedenis van
binnen uit hersteld en uit het slop getrokken worden, als wij tenminste
één lichaam met Hem vormen, en één Geest, en in onze beproevingen een
beroep doen op zijn kracht en zijn licht.