Eerste Pinksterdag (2009)

B-cyclus · Paastijd · Pinksteren · rood

Beste dorpsgenoten,
Uit mijn verre jeugd heb ik een beeld van Pinksteren overgehouden: De hete kerk vervuld met geur van pinksterbloemen, een gregoriaans gezang over liefde dat me deed denken aan een zinderend vuur.
Wat nu bij me opkwam: de uitdrukkingen “ze kunnen elkaar niet zien of luchten” en “Ze zien elkaar niet staan.” En daarom hangen er nu op straten en pleinen, in winkels, op stations en in grote ruimten cameras: we zien elkaar niet meer staan maar we laten ons wel bespieden, goed voor onze veiligheid!
En we praten veel en horen veel, het gaat wel nergens over. Gewoon lekker wat wegbabbelen. Dan hoef je niet te luisteren. Kun je je voorstellen dat af en toe iemand die stikt in dat gebabbel, een einde aan het leven maakt of met zijn autootje met alle geweld op de koninklijke familie wil inrijden?
Wat moeten we nog met Pinksteren? Het verhaal van een hevige wind die het hele huis vulde en iets als vuur, dat in tongen verdeeld, zich neerzette op ieder van de apostelen. En hoe ze vervolgens in vreemde talen begonnen te spreken. En hoe dat alles de aandacht trok van mensen op straat, pelgrims uit alle delen van de wereld, en burgers van Jeruzalem.
En tenslotte de verbazing dat ieder zich hoort toegesproken in zijn eigen taal. En wat hoorden ze? De grote verhalen over God.
Dat verhaal is geïnspireerd door het oude verhaal van de taalverwarring bij het bouwen van de grote toren van Babel die de eerste wolkenkrabber zou moeten worden. Opeens viel de bouw stil: want de bouwlui konden elkaar niet langer verstaan. Dat is nog erger dan een financiële crisis! God had een Babylonische taalverwarring teweeggebracht, want hij was bang dat ze anders nog tot gekkere dingen zouden komen.
Wij leven in een verwarring die veel groter is, en ook heel anders: b.v.: voor de verkiezingen van het Europese parlement heeft u een kandidatenlijst met 17 partijen gekregen, dat wil zeggen: in Nederland alleen al 17 uiteenlopende stemmen voor een eensgezind Europa. Zelf kent u zeker nog meer voorbeelden van verwarring op allerlei gebied.
Alsof in onze tijd wel een toren gebouwd zou kunnen worden zonder dat mensen naar elkaar luisteren of zonder iets zinnigs tegen elkaar te zeggen.
Chaos is daarvoor nog een beter woord dan verwarring. In het begin van mijn overdenking heb ik daar twee symptomen van aangehaald. Elkaar niet zien staan en nergens over praten, maar wel praten.
In evangelietekst werd ik, juist als de vorige week, weer getroffen door het woord vreugde en ook door het woord vrede.
Dat de mensen elkaar konden verstaan, ongeacht de taal die er gesproken werd, riep verwondering op, zoals de eerste lezing beschrijft. En wat zij hoorden: verhalen over Gods grote daden, zal ook wel vreugde bij hen opgeroepen hebben.
Wij hebben geen grote verhalen meer. Wij praten over het huis van zo en zo dat eindelijk verkocht is en over het feit dat zo en zo haar heup gebroken heeft. Die verhalen doen niets tegen chaos.
En een verhaal dat vreugde achterlaat? Dat lost chaos ook niet op. En toch.
Als ik me op een dag onverklaarbaar blij voel, en ik laat een ander daar in delen door het te vertellen. Of ik zeg tegen iemand dat de kleur van haar rok goed bij haar past.
Gisteren gebeurde het me dat iemand me enthousiast vertelde over haar vacantie. Niets bijzonders en toch liet zij bij me een blij gevoel achter.
En ook las ik gisteren een stuk in de krant dat ik bewonderde.
En opeens dacht ik: “Dát zijn de pinksterverhalen voor nu.”
En dat vertel ik u nu allemaal. En zo wens ik u fijne pinksterdagen.

Zoeken in Preken Online