Pinksteren, Pasen is rond. Pasen staat nu in volle tooi. Na vijftig dagen viert men in alle ernst, dat het grote gebeuren is aangekomen. Het wordt nu uitgedragen. Het paasgeloof stapt nu de wereld in, de grote wereld. Het is door de leerlingen verwerkt met moeite en pijn en schaamte, maar ook met kracht en vreugde. Dat wordt nu verkondigd, afgekondigd, aangeboden aan iedereen. Het is ook voor iedereen.
Pasen was een drama dat moest worden begrepen in de diepte door hen die het eerst niet hadden begrepen. Vandaag, met Pinksteren, gaat het naar de breedte. Het is een uitwendig, een uitzinnig feest. De Geest zal het met vuur aanblazen. Hij zal het met de wind rondblazen. Wind en vuur. Er zit vaart in de beweging van Jezus. Het gaat met hevige vaart de wereld in.
Wat verstrooid is, wordt bijeen geblazen. Wat klein is, wordt hier verzameld. Wat vreemd was, wordt hier vriend. Wie uitgesloten was, hoort er nu bij. De toren van Babel wordt hier afgebroken en opgebouwd tot een toren van begrip. De verwarring is ten einde en mensen horen elkaar omdat ze samen luisteren naar een andere taal. Mensen verstaan elkaar omdat ze over de woorden heen eindelijk hoorden wat ze al eeuwen wilden horen: God is er ook voor ons, hij is voor iedereen. Voor de eerste keer in de geschiedenis is het voor alle volkeren duidelijk: God is niet op één plaats, God is niet een voorrecht van bevoorrechten. God verstaat elke taal, ook dat dialect waar zoveel mensen zich voortaan ten onrechte over schamen.
Dat is het grote wonder. Pasen is een feest een boodschap, nieuw leven voor iedereen.
En Petrus zal erbij zeggen, dat dit geen taal is van bedronken mensen. Dit is de nieuwe ernst.