Beste dorpsgenoten,
Verrijzenis, leeg graf, opgestaan uit de dood; dat zijn de woorden waarmee de kerk probeert te omschrijven wat we met Pasen vieren.
Wie eenmaal aan het graf is toevertrouwd, komt er niet meer uit. Daar zijn we mee vertrouwd. En hoe hard we het ook proberen te geloven, wat we vandaag vieren kunnen we maar moeilijk bevatten als we het heel letterlijk nemen.
Toch mogen we terecht met de apostelen zeggen dat Jezus ons is voorgegaan.
Hij is ons voorgegaan naar een wereld die ook de onze is. En daar bedoel ik niet de hemel mee. Alsof er twee werelden zijn: een waar we nu leven, hier op aarde, en een tweede, die de woonplaats van God is waar ook ons toekomstig huis zou staan.
Jezus is ons voorgegaan in een universum, een immens heelal waar God alles in allen is, niet hemel en aarde maar één grote gemeenschap waarin wij mensen evenzeer thuis horen als zon en sterren, en waar alles een uiting is van wat wij God noemen: enerzijds te groot voor ons, een geheim dat we niet kunnen bevatten en anderzijds de plaats waar we helemaal tot ons recht komen en waar we van nature thuis horen. .
Naar die plaats zijn we op weg, met vallen en opstaan, zolang we op aarde leven. Het gevaar bestaat dat we ons zo aan die vreemde aarde hechten, dat we vergeten waar we vandaan komen en waarheen we uiteindelijk naar op weg zijn. De zon, de sterren, het immense heelal, te groot voor ons verstand, zijn ons doel, ons echte thuis, waar we God mogen ervaren in al zijn intensiteit.
Dat is de boodschap als we zeggen dat Jezus verrezen is. Hij is een van ons, sterfelijk als wij, maar hij is niet blijven steken in onze aarde, hij kon niet vastgehouden worden in een graf, hij had gezien waar hij echt thuishoorde. Het was voor hem, juist als voor ons, te groot, te immens om het te beschrijven, zoals ik nu probeer, en daarom noemde hij die immense werkelijkheid met een woord dat we allemaal verstaan: Vader.
Voor Jezus zijn de korte, harde, wrede dagen dat hij hing aan het kruis, juist als wij, overgegaan in de onuitsprekelijke ervaring waarvan de poster voor u uitdrukking aan probeert te geven: nu is hij opgevangen door die twee handen, die alles dat bestaat omvatten. Nu is hij een geworden met die immense wereld, veel te groot voor ons verstand. Nu verstaat hij die wereld, nu speelt hij met zon en sterren. Dat is niet te beschrijven.
En het lege graf? Dat is als de condensstrepen van een vliegtuig, nog zichtbaar als het vliegtuig zelf al weg is, of de golven die nog wervelen in de zee als het schip al een halve wereld verder is.
Het vuur van een flakkerend kaarsje, de vlam van een gaspit op ons fornuis, de zon die heerlijk schijnt, die twee handen op de poster, de lucht die we inademen en waarmee we kunnen zingen, het water dat we drinken, het zijn allemaal bescheiden en duurzame beelden die verwijzen naar de wereld, dat universum, die kosmos, waarheen Jezus ons is voorgegaan.
Waarom moeten we op zo’n goddelijke werkelijkheid wachten tot na onze dood? Waarom kunnen, mogen wij nu nog niet dansen tussen de sterren als we daar toch voor gemaakt zijn?
Daar heeft Jezus een antwoord op: “Wat gij wilt dat anderen u doen, doet dat ook aan hen.”
Dat onbegrijpelijke, onmetelijke heelal, van zon en ontelbare zonnestelsels waar Jezus ons met velen is voorgegaan, is de enige plaats van vrede, van elkaar verstaan, met elkaar omgaan. De plaats waar wij naar uitzien.
Wat in dat heelal gebeurt, is hier op onze kleine planeet ook, naar verhouding, mogelijk want wij zijn van hetzelfde materiaal gemaakt als die sterren. Juist als Jezus! Daarom: “Wat gij wilt dat anderen u doen, doet dat ook aan hen.”
Dat het zo moge worden.