Een nieuwe paaskaars, ik vind het elk jaar weer een spannend gebeuren. En dat komt omdat we elk jaar verrast worden met een eigentijdse, telkens nieuwe manier waarop het paasthema op de kaars vorm krijgt.
Dit jaar was het nog spannender. Onze pastor had enkele jongelui uitgedaagd om die kaars te beschilderen. U hebt ze net gezien, toen ze de kaars ook binnendroegen.
Dat was echt een uitdaging: hoe beschilder je een kaars, dat op zich was al iets heel nieuws voor ons; en nog meer, hoe beschilder je een kaars die een heel jaar lang op blijde en verdrietige momenten voor mensen een symbool kan zijn van Jezus, een symbool van licht en hoop.
Prominent aanwezig in onze gesprekken daarover was de muur. Eerst over de Berlijnse muur, een muur die letterlijk je vrijheid inperkt. Maar ook de muur waar je soms tegenaan loopt: een muur van onmacht, van ziekte of pijn, van eenzaamheid; een muur van geweld, van oorlog en pesterijen. En ook muren die mens zelf optrekken: we zien het bij ruzie in families, in soms jarenlang sluipende conflicten, waarbij soms nog maar weinig mensen weten waarom het ooit zo mis ging; de muur van het wij-zij-denken: wij Nederlanders tegenover zij buitenlanders, wij goede, nette burgers tegenover zij ‘het uitschot’, de hangjongeren, de zwervers, die getatoeëerde, die ‘anderen’. We zien ook de muur van de verharding: mensen die een muur bouwen om hun hart, die niet meer geraakt willen worden door het leed van anderen, die niet meer willen of kunnen zien wat er in de wereld aan onrecht gebeurt, niet zien wat er soms heel dicht bij om ons heen gebeurt.
Deze muren waren ook de muren waar Jezus tegenaan liep. Het werd uiteindelijk zijn kruis. Het onbegrip van de machthebbers, die in hem alleen een oproerkraaier zagen; het onbegrip van omstanders die in hem een nieuwe koning zagen, die het volk wel zou bevrijden van de Romeinse overheersers; de rijke jongeling, die het niet kon opbrengen om zijn geld en rijkdom echt te delen, het onbegrip dat zelfs zijn beste vrienden hem niet altijd begrepen…
Maar ook, gelukkig, een gat in de muur: mensen die -toen maar ook nu- bruggen willen slaan, die zich inzetten voor zieken en eenzame mensen, die soep of koffie brengen naar zwervers op straat, die zich het lot van vluchtelingen aantrekken. Het kruis heeft niet het laatste woord; de weg loopt niet dood tegen een muur of tegen het kruis. De weg loopt door. Mensen mogen opstaan. Jezus ging ons voor. Mensen mogen opstaan en gaan waar geen wegen gaan. Die wegen leiden naar het licht, naar vrede en geluk voor iedereen.
Lieve kinderen, die kaars met die muur, daar zit ook een verhaal bij voor jullie. luister maar.
Het is het verhaal van de koning, die niets meer leuk vond, en niets meer erg of verdrietig. Er zat een muur om zijn hart. Op een dag, toen de koning in zijn paleistuin liep, zag hij een huilend meisje. De koning vroeg: waarom huil je? Het meisje zei: de boom is omgewaaid en de takken zijn op mijn handje terecht gekomen. Nu zit hij daar verstrikt. Je moet me helpen, want anders gaat hij dood. Ach, wat doet het er toe, zei de koning, alles gaat toch dood’. En hij wilde verder lopen.
Toen werd het meisje boos, pakte de koning bij zijn jas vast en zei woedend: als jij mij niet helpt, koning, dan gaat mijn hond dood!
Even leek de koning getroffen, maar hij zei: doe niet zo dom en boos. Alles gaat zoals het gaat. En resoluut draaide hij zich om om verder te lopen.
Toen sprong het meisje overeind, greep de koning bij zijn arm en schreeuwde: ben jij koning?
Als je echt koning bent, help me dan; mijn hondje leeft nog en hij mag niet dood.
De koning keek naar het meisje en wat in jaren niet gebeurd was, gebeurde nu: de koning boog zich samen met het meisje over de boom om de hond uit de takken te bevrijden. Toen het hondje los was, renden het meisje en de hond blij dansend en springend verder.
Toen de mensen later aan de koning vroegen waarom hij zo veranderd was, antwoordde hij:
Dat komt door een klein meisje dat mij om hulp vroeg. Want de muur om mijn hart is weg. Ik leef weer echt!
Dat is Pasen.