De Heer werkte met hen mee (2009)

B-cyclus · Paastijd · Olh hemelvaart · wit

De laatste verzen van het evangelie van Marcus (Mc. 16,9-20) komen van een andere auteur. Marcus schreef het oudste evangelie. Het tweede slot van het Marcusevangelie is echter niet van hem. Het is er in de eerste helft van de tweede eeuw aan toegevoegd. Die verzen bieden een goede samenvatting van wat wij weten langs de andere evangelisten en langs Paulus (A. Denaux, De Verrijzenisboodschap van Marcus 16, in Collationes 2003). Ze zijn geschreven in een tijd, waarin de kerk zich een plaats verwerft in de wereld en er omwille van haar verkondiging vervolging lijdt. Dit slot is als een catechismus van Pasen en gelijkt op de aloude geloofsbelijdenis in een brief van Paulus (1 Kor. 15,1-11).

Het laatste stuk vermeldt de verschijningen aan Maria, de ontmoeting met de twee onderweg en de verschijning aan de elf. Toch is dit slot niet aangeplakt aan het evangelie van Marcus. Het heeft er een band mee. Het neemt daaruit elementen zoals de waarde van het doopsel en van de wondertekenen van Jezus. Wie in hem gelooft en is gedoopt, doet op zijn beurt dezelfde wonderen. Immers de Heer, ten hemel opgenomen, blijft bij hen.

Hans Lubsczyk (1911-2008), een Duitse exegeet die lange tijd in Erfurt doceerde en betrokken was bij de Focolari zorgde voor een eenvoudige uitgave en sobere commentaar van het Marcusevangelie. Hij deed dit in het kader van de nieuwe evangelisatie. Hij noemt het eerste evangelie dit van het doopsel. “Het slot van dit evangelie leidt naar het doopsel, dat toegediend wordt aan wie in Christus geloven. Bij hen, die vast geloven, geschieden de zogenaamde wonderen van Jezus. Mensen worden van het kwaad bevrijd en worden opmerkzaam voor het handelen van God. Op deze wonderen als teken wacht de wereld in het derde millennium.” (H. Lubsczyk, Eine wahre Geschichte. Das Markusevangelium).

Het Marcusevangelie gaat alle christenen aan. Het is immers een evangelie over het doopsel. Het helpt bij geloofsgesprekken. Het beantwoordt de vraag wie Jezus is en waarom hij werd gekruisigd. Het slot bevat alweer een kritiek van Jezus op het ongeloof van de leerlingen. Zelfs na de verrijzenis zijn er nog twijfelaars. Verschilt dit zoveel van onze tijd? Op hemelvaartsdag neemt de liturgie die berisping niet over. Ze belicht vooral welke zending Jezus aan zijn leerlingen heeft toevertrouwd en hoe ze deze opvolgen.

De missionaire opdracht staat voor op. Ze is heel ruim opgevat. Ruimer kan het niet. Gaan naar gans de wereld en het evangelie verkondigen aan gans de schepping. Wij zijn bang voor deze opdracht. Toch mag de zorg niet afnemen om het evangelie te verkondigen en om te getuigen van wie we daar ontmoeten Het internettijdperk geeft op dat vlak nieuwe kansen.

Jezus geeft de opdracht om te geloven en te dopen. Geloof en doopsel zijn de wegen tot redding. “In het zendingswoord wordt op contrastvolle wijze gewezen op de heilsnoodzakelijkheid van geloof en doop en op de eschatologische bestraffing van het ongeloof” (A. Denaux, art.cit.). Een gelovige moeder toonde zich nogal bezorgd over deze woorden. Zij is ongerust omdat het haar niet gelukt was door te geven waarvan ze zelf sterk overtuigd is. Haar kleinkinderen zijn niet gedoopt. Ook bij hen houdt God niet op te werken.

De woorden over het trotseren van gevaren zijn geen pleidooi voor roekeloosheid. Ze kunnen de indruk wekken dat het kwade in de natuur de verkondiger en de gelovige niet kan deren. Dit is niet waar. De natuurwetten worden voor de verkondigers niet opgeheven, maar in alles wat gebeurt, vertrouwen zij erop in Gods handen te zijn.

Het geloof raakt de ganse mens. Zoals Jezus de macht van de demonen overwon, zo zal de gelovige de macht van de boze indijken, bekampen en overwinnen. Een gelovige aanwezigheid heeft een weldoende invloed op wie ziek en gewond is. Christenen hebben een belangrijke presentie in de gezondheidszorg. Veel vrijwilligers behartigen de zorg voor zieken. Een ziekenhuisaalmoezenier gaf aan dit vers over de handenoplegging volgende vrije vertaling: “Leg hun de handen op en ze zullen er goed van worden.” Handen bereiken zoveel. Al staat me dan het beeld voor ogen van die vrouw met haar fobieën, die niet kon verdragen dat iemand haar aanraakte. Hoe voelde ze zich als ze niet meer kon spreken en verpleegkundigen haar verzorgden?

De allerlaatste zinnen drukken de volmacht uit van Jezus. Zijn Hemelvaart, dit was binnengaan in een nieuwe wereld. Hij zit aan de rechterhand van God. Deze uitdrukking uit psalm 110 is veel gebruikt in de jonge kerk. Jezus neemt deel aan Gods volmacht.

De verrezen Heer bezielt de verkondiging. Hij is tegenwoordig in het woord dat over hem spreekt. Dit maakt ons dankbaar. Zijn woord blijft ons immers nabij (Zie bisschoppensynode over Gods woord). De beloftevolle slotzinnen van het Marcusevanglie zetten ons tevens aan tot bescheidenheid. Wij zullen onze woord en mening niet als Gods woord verkondigen. Wij willen onze stem lenen aan hem, die door ons en soms ondanks onze woorden en daden handelt en spreekt. Gods Woord is een krachtig woord, dat ondanks het falen van zovele, werkzaam is en blijft.

Zoeken in Preken Online