Deze tijd wordt wel het vaderloze tijdperk genoemd.
Waar vaders vroeger de vanzelfsprekende autoriteit belichaamden, is dit om allerlei redenen nu goeddeels verdwenen. Voor een deel is dit een vrucht van de emancipatie, terwijl ook de snelheid waarmee alle ontwikkelingen elkaar opvolgen, een rol speelt. Vroeger volgden dochters en zonen haast automatisch in de voetsporen van hun moeders en vaders, nu mogen ouders blij zijn als ze nog kunnen volgen wat hun kinderen leren op opleidingen die nog niet bestonden toen zij zelf opgroeiden. Het boerenvak leerde je thuis door het te doen, nu snap je niks van de msn-taal die je kinderen op de computer gebruiken. Bovendien is sinds de Tweede Wereldoorlog ook het morele beeld van de ouders aangetast. Zij zijn niet meer de onbetwiste helden of rolmodellen voor hun kinderen. Gevolg van al deze ontwikkelingen is wel dat onze maatschappij is losgeslagen. Er is geen houvast meer, geen anker, geen kompas; alles is in beweging en gaat steeds sneller. Wat ook bij dit vaderloze tijdperk hoort, is dat we niet goed meer met leiderschap om kunnen gaan. We accepteren eigenlijk alleen nog gezag als de gezagdragers zeggen wat wij zelf toch al vinden.
Hieraan moest ik denken, luisterend naar de woorden van Jezus tijdens het laatste avondmaal, die wij horen op deze zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. Deze zondag wordt wel “wezenzondag” genoemd. Na de hemelvaart van Jezus voelen de leerlingen zich ontheemd, verweesd. Hun leermeester is er niet meer en ze zijn aan hun lot overgelaten, stuurloos, zinloos.
Bij wezen denken wij nogal gauw aan kinderen: weeskinderen. Toch kunnen ook volwassenen na de dood van hun laatste ouder sterk het gevoel krijgen er alleen voor te staan. Allang het huis uit, het eigen leven opgebouwd merken velen opeens: Er zit geen generatie meer boven je, niemand meer achter wie je je kunt verschuilen of die je om advies kunt vragen. Even een belletje: hoe ging dat bij jullie, afkijken hoe zij dat deden, een referentiekader of ijkpunt. Onlangs las ik hoe iemand de dood van zijn bejaarde moeder beleefde als het wegvallen van de grond waarop hij staat. Anderen zeggen het zo: Nu komt het in ons leven maar ook in de samenleving op ons aan. Wíj zijn nu verantwoordelijk. Iets dergelijks proeven we na de hemelvaart van Jezus ook bij zijn leerlingen: de volle verantwoordelijkheid rust nu op henzelf.
Als wij in onze tijd, nota bene in het vaderloze tijdperk, tot onszelf laten doordringen dat de zorg en verantwoordelijkheid voor de boodschap van Jezus, nu van ons afhangt, kan ons gemakkelijk de moed in de schoenen zinken. Wie in de kerkelijke kring van Nederland om zich heen kijkt, kan zichzelf zelfs de vraag stellen: Komt er na ons nog wel een nieuwe generatie gelovigen? Heeft de kerk nog wel toekomst? Onze kerk in Nederland en misschien wij zelf ook wel, hebben soms de uitstraling van: het wordt alleen maar minder en het wordt nooit meer wat. Het gevaar dat hierin schuilt, is dat dit gemakkelijk een self-fulfilling prophecy wordt: als dit ons geloof is, dan wordt het waarschijnlijk ook nooit wat, maar dat gold ook voor de eerste leerlingen.
De naam “wezenzondag” komt feitelijk van de belofte van Jezus aan zijn leerlingen: “Ik laat jullie niet verweesd achter. Ik kom bij jullie terug.” (Johannes 14, 18) Als we goed naar Jezus luisteren, zouden we dus juist op deze wezenzondag moeten weten dat we er níet alleen voorstaan, dat het voor ons christenen níet waar is dat we geen anker hebben. We hebben wél houvast, want Hij laat ons niet in de steek. Natuurlijk vertelt ook ons gevoel ons wel eens iets anders
maar als we luisteren naar het woord van Jezus, hoe Hij voor ons tot zijn Vader bidt, dan weten we: Hij is in ons midden, zijn Woord is het kompas voor ons leven, zijn Geest stuurt en vuurt ons aan.
Zeker, Hij is het die ons in de wereld zendt, zoals de Vader hem gezonden heeft. We hoeven niet mee te gaan in de mallemolen van de wereld, want we zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld. Op heel veel plaatsen in de wereld slagen ook jonge christenen er in
om met vreugde en inspiratie precies dat te doen: geen wereldvreemde mensen te zijn, maatschappelijk gewoon goed te functioneren en toch een eigen geluid hebben, een innerlijke overtuiging, staan voor een christelijke boodschap en daar trouw aan durven zijn in de keuzes. Zij laten zich leiden door Gods liefde voor alle mensen, door het voorbeeld van Jezus’ inzet voor mensen die buitengesloten worden
door ziekte, armoe, ouderdom, discriminatie, en dat is voor hun leven geen verarming maar een verrijking.
In Antwerpen en Brussel neemt de gemeenschap van Sant’Egidio het voortouw in het protest tegen racisme en voor een humaan asielbeleid, en doet dat heel geloofwaardig vanuit de jarenlange vriendschap die is opgebouwd met joden en moslims, met de kansarmen en met de overheid.
Nog dichter bij huis had ik bij het Eerste Communieproject het idee dat de kinderen heel goed oppikten wat wij als Lucasparochie ze aanreikten over Jezus. Met Jezus bid ik dan ook dat God ze mag bewaren opdat ze niet verloren gaan, en dat ze in hun leven op hun eigen manier mogen getuigen van de blijde boodschap. Volgens mij kan dat alleen als wij ze zelf de vreugde van het evangelie voorleven, als wij letterlijk enthousiast zijn, letterlijk in-God-zijn, vervuld van Gods Geest, niet kwezelig, niet plichtmatig, maar enthousiast en vol vreugde.
Twaalf leerlingen van Jezus blijken al voldoende om zijn kerk mee te beginnen. Of het geloof en de kerk nog toekomst hebben? Die begint pas!
Gods Geest, die komt en waait, zal ons allen inspireren.