“Blijf in mij”, dit belangrijk woord in de afscheidsrede, hoofdstuk 15 blijft doorklinken. Jezus had eerst gewezen op de verbondenheid van de ranken met de stam. Deze verbondenheid komt dankzij het levenssap dat alles doordringt. Nu noemt hij de liefde als de kracht van de verbondenheid tussen hem en de leerlingen.
Liefde, maar welke liefde? Daarover is het evangelie heel duidelijk. Het gaat over de liefde zoals Jezus ze getoond en doorleefd heeft. Zonder de liefde van Jezus en onze liefde tot hem komen er geen vruchten. Jezus geeft de liefde, hij geeft de vreugde. Daardoor kunnen wij dan zelf vreugdevol zijn. Jezus geeft vreugde, omdat hij deze zelf van zijn Vader heeft ontvangen. De verzen daarover zijn zeer condens.
“In Christus blijven betekent niet trouw zijn aan een algemene ethische waarde die de liefde is. Maar het is in de duur van de tijd zijn bestaan bouwen op de liefde, waarvan Jezus Christus heeft getuigd voor elk menselijk wezen. Deze liefde van Christus voor de mens geeft uitdrukking aan Gods gelaat aan de wereld.
Deze liefde van Christus, waarin de gelovige zijn bestaan heeft geworteld en rond dewelke hij het een structuur geeft, is een liefde die engageert. Het is een liefde die leidt tot verantwoordelijkheid en tot inzet in het heden van het geloof. Deze oproep om de geboden te onderhouden komt niet vanuit een blik op vergoeding. Maar zij laat toe om de vreugde te ontdekken. Nogmaals, het gaat niet over een vreugde in het algemeen, maar om de vreugde van en in Christus, die het bestaan van de gelovige komt bewonen en het aldus tot vreugde opwekt. Deze vreugde is niet schatplichtig aan de wisselvalligheden van het leven of aan het welslagen van het individueel bestaan. Zij is de vreugde die voorkomt uit de onvoorwaardelijke liefde van God voor elk schepsel” (Jean Zumstein, L’évangile selon saint Jean, dl. 2).
Maar hoe moeten wij liefhebben? Het gaat niet allereerst over een vage vriendschap met gans de wereld, maar om de onderlinge liefde. Het is de concrete wijze waarop Jezus bemind heeft, die zijn leerlingen moet leiden. De eerste gemeenschappen hebben dit ondervonden wanneer zij zelf voorwerp van haat zijn geworden en in hun midden martelaren hebben gehad.
Jezus spreekt over vriendschap. ‘Vriend’, we nemen dit woord allicht gemakkelijk in de mond van uit een ruime welwillendheid, openheid en toegankelijkheid. Dit verbindt ons niet echt. Jezus noemt vriend degene die zijn oproep opvolgt. Vriend van Jezus, dit waren zijn leerlingen omdat Jezus hen tot vriend had gemaakt. Vriend zijn wij van hem, omdat Jezus ons tot vrienden maakt. Wij moeten daarom zijn oproep blijven opvolgen. Jezus raakt in zijn afscheidsrede een diepere relatie aan dan deze tijdens de voetwassing. Het verhaal en het teken van de voetwassing werden gebracht vanuit de verhouding meester/knecht. “De knecht is een ondergeschikte, hij weet niet alles van zijn heer. In de afscheidsrede spreekt Jezus over vriendschap. De relatie tussen vrienden is getekend door het zegel van de uitwisseling en door doorzichtigheid. Deze verhouding maakt het wederzijds verstaan mogelijk. Ze helpt om een kennis te verwerven, die toelaat zich vrij te bewegen en die richting geeft en een bestemming aanduidt” (J. Zumstein, Ibid).
Wat heeft Jezus dan aan zijn vrienden medegedeeld? Hij was de ‘openbaarder’. Hij toonde wie zijn Vader was en is. De liefdesband tussen Jezus en zijn leerlingen blijft asymmetrisch omdat Christus altijd de eerste is. Hij is het, die voor leerlingen van toen en nu heeft gekozen.
Die vriendenband stelt in staat vruchten voort te brengen die duren. Ze zijn duurzaam, wanneer de leerlingen volhouden in die onderlinge liefde. Zo gemakkelijk om er over te schrijven aan de computer, maar zo veel moeilijker als we straks aan tafel zitten en onze concrete naaste ontmoeten.
Ook bij deze opdracht moeten wij ons alweer biddend tot de Vader wenden. Wij moeten bidden dat wij in zijn liefde blijven en dat wij vruchten mogen voortbrengen. “Het gebed wordt aldus de ruimte waar de relatie tussen de gemeenschap na Pasen en haar God geweven wordt. In deze ruimte doet de belofte van de verhoring God verschijnen als degene die geeft wat hij van ons vraagt” (Jean Zumstein, 111).
In zijn afscheidsrede brengt Jezus twee van zijn geliefde thema’s. Hij verzekert ons dat de Vader ons bemint en dat wie de broederlijke en zusterlijke liefde onderhoudt de liefde en de blijvende aanwezigheid van God en Christus kent.