6e Paaszondag

B-cyclus · Paastijd · 6e zondag van Pasen · wit

Wat we hoorden over de goede Herder en de ware Wijnstok, heeft ons gebracht tot op de drempel van Jezus’ tempel, zijn hart dat in eenheid leeft met zijn Vader. Vandaag worden wij er binnengeleid. ‘Ik noem u geen dienaars meer want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden genoemd want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord’.

Jezus heeft ons alles meegedeeld. Maar we hebben niet alles begrepen. De hele tijd na Pasen reeds trachten we beter te begrijpen. De Heilige Geest is het die ons daarbij helpt. Jezus heeft het zo beloofd. ‘De Helper, de Heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb’.

Dat is wat gebeurt volgens de Handelingen. Petrus spreekt voor Cornelius en de zijnen. Hij spreekt goed en juist en ook een beetje lang. Het is de Heilige Geest die hem onderbreekt, hem helpt en hem alles leert. ‘Terwijl Petrus nog zo aan het spreken was, kwam de Heilige Geest plotseling neer op allen die naar de toespraak luisterden. De gelovigen uit de besnijdenis die met Petrus meegekomen waren stonden verbaasd dat ook over de heidenen de gave van de Heilige Geest was uitgestort’.

Waarin bestaat de ‘gave van de Heilige Geest’? Waarover zijn de Joden verbaasd? Ze konden niet verstaan dat de Geest over de heidenen kwam. Hij was beloofd door de profeten voor de Messiaanse tijd. Nu was het de Messiaanse tijd. Jezus hadden zij als de Messias erkend. En zie, zijn Geest kwam niet alleen over de Joden. Meer nog, sommige Joden die sterk in de Geest geloofden, leerden dat men zijn vrienden moest liefhebben maar zijn vijanden moest haten, de zondaars en allen die de Messias niet verwachtten. En zie, de Geest van de Messias kwam over álle Joden. De heidenen in het huis van Cornelius waren nog bovenal verbaasd. Die wisten niet eens dat er een heilige Geest bestond. En zie, hun heidens huis werd dooreen geschud als het Cenakel op Pinksteren.

Wat Joden en heidenen verbaast is dat de liefde waarover Jezus gesproken had het deel werd van allen. De gemeenschap kon niet tot een groep beperkt blijven. Petrus moest het doopsel, dat iets van de Joden was, dat zij nu wel in Jezus’ Naam toedienden, maar dat toch Joods bleef, nu ook aan de heidenen aanbieden. Alles was veranderd door het levensoffer van Jezus. Dat hadden zij maar bij verre benadering begrepen. Nu leerde hun de Helper, de Geest van waarheid, de volle zin van Jezus’ leven, de betekenis van zijn offer voor de hele wereld. Hij had voor allen zijn leven gegeven. Allen zouden er in overvloed van ontvangen. Het beeld van de Herder en dat van de Wijnstok werd klaar. De liefde van de Vader voor Jezus, de Heilige Geest van hun gemeenschap, hun eenheid, werd een uitnodiging voor alle mensen. ‘Niet wij hebben God liefgehad’, mediteert Johannes in zijn eerste Brief. ‘Hij heeft ons liefgehad’,

‘Hij heeft zijn Zoon gezonden om onze zonden uit te wissen door het offer van zijn leven’. Onze offers, dacht Johannes, onze Joodse offers brachten geen totale verzoening, Jezus’ levensoffer bracht die wel: verzoening, gemeenschap, liefde die niet van ons kwam, maar van God, die het initiatief nam, die eerst zijn Zoon zond, en die nu, met de verrezen Zoon, de Geest zond, die alles deed begrijpen, door de Joden én door de heidenen. Na de visioenen van Petrus, na de verschijningen aan Paulus, na de openbaringen aan Johannes die dit alles overwoog, moest het wel duidelijk zijn dat de liefde die van God kwam, de liefde die God is, - ‘want God is liefde’, schrijft hij -, aan álle Joden werd meegedeeld, en dat ook alle heidenen, via de Joden, bestemd waren om de goede Herder als hun Herder te herkennen om ook als rijke ranken op de Wijnstok geënt te worden, om in de gemeenschap te delen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en om in dié gemeenschap opgenomen te worden, in eenheid met de Joden. Allen begrepen door de Heilige Geest, wat Jezus van de Vader had gehoord en aan zijn ‘vrienden’ had meegedeeld.

Zoeken in Preken Online