Ik breng u vandaag even het evangelie van Witte Donderdag in herinnering: Jezus knielt, en wast de voeten van zijn leerlingen. Petrus weigert in eerste instantie; dat is immers het werk van een slaaf, en daarvoor vindt hij Jezus te goed. Maar Jezus, die zich voor niks te goed vindt, en van niemand vies is, legt hem uit dat hij het nog altijd niet begrepen heeft. De meester - zegt Jezus - staat niet boven de dienaar. Wie groot wil zijn, moet klein durven worden. Dat heeft Petrus goed in zijn oren geknoopt, want wanneer Cornelius hem opzoekt, en neerknielt, zegt Petrus: ‘Sta op! Ik ben ook maar een mens!'.
Dat doet me denken aan kardinaal De Jong, de voorganger van kardinaal Alfrink. Hij was eerst professor in de kerkgeschiedenis aan het seminarie van Utrecht, en tevens hulpbisschop. Wanneer er studenten op zijn kamer kwamen en neerknielden om zijn bisschopsring te kussen, zei hij: ‘Als je mijn ring wilt kussen, die ligt op het bureau’. Hij kende toen al blijkbaar meer waarde toe aan het woord van de Bijbel dan aan de kerkelijke beleefdheden van die dagen.
Sta op, zegt Petrus. Ik ben ook maar een mens, en ik heb intussen ontdekt - zegt hij - dat God geen aanzien des persoons kent. Ongeacht het volk waaruit je voortkomt, God houdt van je als je Hem eerbiedigt en het goede doet. Daar keken de eerste christenen van op: dat ook niet-joden, zoals Cornelius er één was, welkom zouden zijn in hun beweging. Zij, de eerste christenen, beschouwden zich als een soort sekte, een soort richting binnen het jodendom, en heidenen hoorden daarin - vonden ze - dus echt niet thuis.
Paulus is de eerste die zorgde voor een doorbraak. Er dient niemand te worden buitengesloten, is zijn standpunt. En Petrus gaat - na aanvankelijke bedenkingen - daarin mee. Je hoeft geen jood te zijn om christen te kunnen worden. Er mogen geen grenzen getrokken, geen muren gebouwd worden. Iedereen is welkom - zegt Petrus -, ongeacht het volk of de religie waaruit je stamt, als je maar God eerbiedigt en het goede doet voor elkaar.
Dat was en is dus nog altijd het criterium. Maar intussen trekken wij dikwijls grenzen, en bouwen wij muren rondom ons eigen gelijk, onze eigen groep, onze eigen kerk. We zeggen en denken dikwijls: Zij daar doen en denken heel anders dan wij, en horen dus niet bij ons. En in plaats van elkaar goed te doen, doen we elkaar herhaaldelijk pijn.
De oorzaak van die pijn tussen mensen, tussen groepen mensen, tussen groepen gelovigen ook, is bijna altijd dat de één zich meer en beter voelt dan de ander. Precies het omgekeerde van wat Petrus ons heeft voorgedaan: Kom, sta op, ik ben ook maar een mens!
Het is trouwens een kerngedachte uit Jezus’ boodschap: naast mensen gaan staan en niet erboven. Op gelijke hoogte, en niet uit de hoogte omgaan met elkaar. ‘Ik noem u geen dienaars meer, maar vrienden’, zegt Jezus. Vrienden zijn mensen die echt naast je gaan staan, nooit erboven. Onder vrienden is niet de ene sterk en de andere zwak. Nee, onder vrienden is men samen sterk en samen zwak. Heeft de één plezier, dan is ook de ander blij, en is er één die huilt, dan is ook de ander verdrietig. ‘Sta op’, zegt Petrus. ‘Ik ben ook maar een mens’. Dat is een zin om te onthouden wanneer we in de verleiding komen of worden gebracht uit de hoogte te doen. Want dat staat haaks op het voorbeeld dat Jezus ons gegeven heeft!