5e zondag van Pasen (2009)

B-cyclus · Paastijd · 5e zondag van Pasen · wit

Beste dorpsgenoten,

De vorige week moest een brief van de bisschop over roepingen worden voorgelezen. Daar heeft u naar geluisterd. Ook voor deze zondag heeft hij een brief geschreven over het 450 jarig bestaan van het bisdom Roermond. In plaats van hem voor te lezen verwijs ik u naar de bladzijden in de krant die uitgebreid op de geschiedenis ingaan.

De eerste lezing geeft ons een beeld van het leven van de eerste christenen zo’n 20 jaar na de dood van Jezus: Paulus, die de grondideeën voor het christendom geleverd heeft, werd aanvankelijk niet vertrouwd door de leerlingen van Jezus. Van de andere kant was er een groep joden, de Hellenisten, die Paulus, zelf ook hellenistisch georiënteerd, probeerden te vermoorden. Niet alleen de Romeinen waren vijanden van de joden waar de jonge christenen toen nog bijgeteld werd, ook onder de eerste christenen zelf was er allerlei onenigheid, b.v. over besnijdenis, over wat je wel en niet kon eten. Petrus en Paulus waren daar bij betrokken.

De onmogelijke verhoudingen tussen Palestina en Israël, zoals wij die kennen, hebben al een heel lang verleden. En “de pelgrim voor vrede” die daar nu rondreist, zal zeker te maken krijgen met sporen uit dat verleden.

Een klein grapje in deze context: Een eenzame joodse schipbreukeling werd na jaren op zijn kleine eiland ontdekt. De redders vroegen hem: “Maar waarom hebt u nu twee synagogen gebouwd?” De jood antwoordde: “Die aan deze kant van het eiland, kijk dat is mijn synagoge, maar in die andere zal ik nooit een voet zetten.”

In het evangelie van Johannes , zo’n 50 jaar later geschreven, rommelt dat ruzieachtige begin na: “Als iemand niet in mij blijft wordt hij weggeworpen als rank en verdort; men brengt ze bij elkaar, gooit ze in het vuur en ze verbranden.”

Zou Jezus van Nazareth zulke felle en bittere woorden over zijn lippen hebben kunnen krijgen? Hoe kan uit zo’n rommelachtig begin een wereldkerk ontstaan. Omdat ze ontdekt hebben hoe macht hen verder kon helpen.

Lang heb ik gedacht dat Jezus het “Grote Verhaal” was. Intussen wordt het duidelijk dat de Kerk zich zelf tot groot verhaal gemaakt heeft, waar zo’n zinnetje als ik heb aangehaald over wegwerpen en verbranden, helemaal in past. Dat grote verhaal is tevens een verhaal geworden over God.

We bidden tot God en vragen wat goed voor ons is, we roepen hem aan en we vervloeken hem, we kennen zijn burgerlijke stand en we moeten geloven dat hij zijn enige zoon voor ons aan het kruis heeft laten sterven. Allemaal conclusies uit menselijk denken, uit oude boeken, waar heiligheid en geweld elkaar in evenwicht hielden.

En toch blijven we volhouden dat God zo’n immens mysterie is. In feite komt het er op neer dat God het lijdend voorwerp van ons denken en bidden is, dat over hem en tot hem gaat. Ons denken, zelfs dat van theologen en kerkelijke autoriteiten, is te klein voor dat mysterie.

Zou het niet tijd worden dat we God zelf aan de praat laten komen?

Zou de tijd niet zijn aangebroken dat God b.v. zelf zijn eigen naam mag openbaren, nu wel in en voor onze tijd, dat God zelf eens het woord mag nemen en dat wij eerbiedig luisteren? Dat God van lijdend voorwerp eindelijk tot onderwerp wordt.

Als “God” van die vertrouwde naam afziet, als van een soort hulpwerkwoord, en zichzelf opnieuw presenteert, dan kan ik me voorstellen dat er geen kwestie meer is van Hij of Zij, wel van WIJ, alles en iedereen omvattend, WIJ, die de barmhartige Samaritaan zijn die ons uit de sloot halen.

“WIJ”, die al eeuwen lang hebben staan trappelen om eindelijk zelf aan het woord te komen, “WIJ” die zich nu zelf openbaren en ontvouwen in de schepping die een groter geheim wordt naarmate we er meer van te weten komen, WIJ die zich laten terugkennen in het onbeschrijfelijke Universum, heelal, ruimte, space, zoals de Melkweg, de Andromedanevel, de ontelbare sterren en de zon die we elke dag kunnen zien. Dat zijn pas mysteries, waar geleerden het zwijgen toe doen, mysteries die ze steeds groter zien worden.

Dat klinkt pantheïstisch, en daarmee geeft men dan al opnieuw een oordeel over God: we kunnen het maar niet laten.

God laten spreken, in “hun” eigen naam, mèt “hun” eigen naam, met “hun” eigen stem.

Naar zo’n hele nieuwe stem luisteren, waarin iets van de oerknal in doorklinkt. Waar kunnen we die dan horen? Overal, in ons in- en uitademen, dat van eeuwen her al verwijst naar de Geest, de heilige, de levengevende.

“Wij” hebben hun eigen taal. Daar zullen we nog even aan moeten wennen voor we ze verstaan: Een gedicht, een stuk muziek, een dans, een lied, een omhelzing.

Twee handen, “Wij”, die samen de aarde vasthouden?

We zullen er aan moeten wennen!

Zoeken in Preken Online