Het persbureau van het Vaticaan wist deze week te melden dat het aantal priesters, wereldwijd gezien de laatste 25 jaar met 3,5% is gedaald. De Vaticaanse spreker noemde dit teleurstellend. Natuurlijk kwam het Vaticaan met dit nieuws omdat het vandaag in de katholieke kerk “roepingenzondag” is.
Roepingenzondag, dat is ook de reden waarom we als inleiding kozen voor een gesprek met mevrouw Versluis, een vrijwillige medewerkster van het oecumenisch diaconaal aanloopcentrum in Haarlem. Deze vrouw is een prachtig voorbeeld van iemand die zich geroepen weet en zich daarom van harte inzet, veel geeft en zelf ook veel ontvangt.
Op deze vierde zondag van Pasen laten we ons inspireren door Jezus die zichzelf aanduidt als de herder die is zoals een herder moet zijn, de goede herder.
Een van de kenmerken waardoor de katholieke kerk opvalt en herkenbaar is, is haar duidelijke structuur in het ambt, het meest valt dat op in de liturgievieringen. Wie ziet niet de beelden voor zich van de uitvaart van Johannes Paulus en de keuze van Benedictus?
Veel mensen mensen die niet precies weten hoe het allemaal in elkaar zit, stellen dat opvallende ambtelijke aspect van de kerk gemakshalve maar gelijk met de kerk. Ook in de beleving van veel gewone gelovigen is ‘de-kerk-dat-zijn-wij’ jammer genoeg nog geen alledaagse kost.
Toch is het al weer een veertig jaar geleden dat de bisschoppen van de hele wereld de aandacht gevraagd hebben voor de kerk die allereerst volk van God is, waarvan de ambtsdragers ook deel uitmaken en waarin iedere gelovige, en niet alleen iemand die gewijd is, geroepen is tot navolging van Jezus, de goede herder.
Voldoende ambtsdragers, gewijd en toegewijd, het is belangrijk is voor het leven van de kerk en de onderlinge steun in geloof ….
Maar veel katholieken hebben de neiging om de priester en andere ambtsdragers zo centraal te stellen dat ze zelf achterover gaan leunen in de verwachting dat alle genadegaven via de priesterlijke bemiddeling vanzelf naar hen toekomen.
In die lijn van priesterlijk centralisme is het evangelie van vandaag dikwijls verstaan. Vooral de tekst: “ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij…” Zo moest toch een pastoor zijn, de hele parochie moest hij kennen.
Dat kon gebeuren omdat dit gedeelte uit zijn verband van het hele Johannesevangelie werd getrokken en op zichzelf staand werd gelezen. Op die manier moet je de bijbel liever maar niet lezen, want het gevaar is groot dat je dan de bijbel laat buikspreken.
Het is goed dat we ons er allereerst van bewust zijn welke plaats de tekst van vandaag in het geheel van het Johannes-evangelie heeft.
Het is geen zachtzinnig evangelie: het is een voortdurende strijd: ‘het licht kwam in de duisternis en de duisternis nam het niet aan, hij kwam bij de zijn en de zijnen erkenden hem niet ….’.
de tegenstellingen tussen Jezus en zijn tegenstanders worden scherp getekend. Voortdurend twistgesprekken met scherpe aanklachten.
We zijn hier in het 10e hoofdstuk van Johannesevangelie op een punt aangeland waar de tegenstellingen tussen Jezus aan de ene kant, en de Farizeeën en de tempeloversten aan de andere kant, steeds groter worden.
Beschuldigingen vliegen over en weer: “Jij komt niet van God want je onderhoudt de sabbat niet, je geneest op sabbat een blinde, jij bent een zondaar.., “
Jezus daar tegenover:“jullie zijn huurlingen en hebben geen hart voor de schapen, jullie denken alleen aan je zelf….”
Deze rede van Jezus vindt plaats op een van de voorpleinen van de tempel. De toegang tot dat plein liep via de zogeheten Schaapspoort.
Jezus ziet in zijn verdedigingsrede dat hele tempelplein als een grote schaapskooi. De mensen op het tempelplein als een grote kudde die zoekt naar werkelijk geestelijke leiding.
-voor het goede begrip, Een schaapskooi in Jezus’ land was niet een of ander rustiek bouwsel, het was in feit niet meer dan een door stenen omheinde ruimte. Er was één opening, de deur, waardoor de schapen naar binnen en naar buiten gingen als de herder hen riep. Hij sliep bij die deur en waakte en hield rovers en wilde dieren weg, - tenminste de herder die die naam waardig was en die de moed had om voor zijn schapen op te komen.
Jezus beschuldigt de Farizeeën en de tempeloversten ervan dat zij geen goede herders zijn, met meer oog voor hun eigen belang. Gezien hun reacties hadden ze heel goed door wat Jezus bedoelde.
De Farizeeën worden nog meer verontwaardigd dan ze al waren doordat Jezus zich ‘herder’ noemde. In Joodse oren is er met dat woord “herder” iets heel bijzonders aan de hand was. Het was een zwaarbeladen woord dat uiteindelijk alleen aan God en zijn Messias werd toegekend, vgl.psalm 23, de Heer is mijn herder.
Als Jezus stelt dat hij de herder is en nog wel een die aan alle eisen voldoet, ja dan ligt hij op ramkoers met zijn tegenstanders. Want zij verstaan daarin dat hij aanspraak maakt op messiaanse, goddelijke betekenis.
Het is Jezus ten voeten uit die ons vandaag geschilderd wordt. Hij kent geen compromis als het gaat over zijn eigen opdracht en het fundament daarvan.
Dat blijkt uit de verbinding die hij hier maakt met de Vader. Jezus fundeert zijn houding helemaal op zijn diepste identiteit: zijn eigen roeping, leven in eenheid met de wil van de Vader.
Even radicaal is Jezus - als hij in aanraking komt met de gewone mensen, met de kudde. Dan wordt hij altijd geraakt en bewogen. Hij doorvoelt aan den lijve wat ze hebben door te maken en hoe in de steek werden gelaten door degenen op wie ze vertrouwden. In contrast daarmee spreekt Jezus over de inzet van de herder die desnoods zijn leven geeft.
In die radicale overgave en inzet wordt Jezus hier getypeerd, en het is een volledig vrije keuze van hem dat hij zo wil leven.
Toen Johannes zijn evangelie schreef was er nog amper sprake van een kerkelijke organisatie, zeker niet zoals wij die kennen.
Dat alleen al maakt het onwaarschijnlijk dat Johannes bij het schrijven van deze verhalen alleen aan bisschoppen en priesters en religieuzen zou hebben gedacht…..
Het zorgzaam en herderlijk zijn in al zijn radicaliteit is een roeping die voor iedere christen geldt. In navolging van Jezus zijn we geroepen om elkaars hoeder te zijn, en herbergzaam van hart zoals we straks zullen bidden in het eucharistisch gebed.
In het evangelie van vorige week zondag vertelde Lucas, hoe Jezus als de Levende verscheen aan zijn leerlingen en hoeveel moeite ze hadden om te begrijpen en te aanvaarden waar het Jezus om begonnen was. De laatste zin die bij mij bleef hangen was: jullie moeten van mij getuigen. De boodschap van Pasen en de opdracht tot getuigen daarvan horen altijd bij elkaar.
Dit gedeelte uit het Johannesevangelie past helemaal op deze zondag van Pasen omdat het ons aanspoort van Jezus te getuigen.
Jezus die, als een herder van harte, zich radicaal inzet voor de mens aan de rand en soms daar al overheen, roept ons om van hem te getuigen door te leven als hij.
Het zijn woorden van de laatste avond van zijn leven die met ons meegaan deze dag:
‘Begrijpen jullie wat ik heb gedaan, jullie ‘leraar’ en ‘Heer’, ‘herder’ ? Ik heb jullie het voorbeeld gegeven, jullie moeten doen zoals ik jullie heb voorgedaan.