Voor de eerste christenen was het na het Paastriduum niet zo moeilijk om te beamen dat Jezus de Goede Herder is. Hij was gestorven op het kruis. Hij had zijn leven gegeven. Hij had de zijnen bemind. Hij was de gerechte, een vriend van God. God had hem verheven. Na zijn heengegaan wisten ze hem nog steeds aanwezig. Ze leden onder de vervolging vanuit de synagoog. De tijd was moeilijk, maar ze twijfelden er niet aan dat de Verrezen Heer begaan was met de opbouw van zijn gemeenschap.
Jezus herder noemen, dat stelde voor hen geen probleem. De herder was een vertrouwd beeld voor de Israëlieten. Zij geloofden dat God als herder zijn Verbondsvolk had geleid en bleef leiden. Zij hadden iets gemerkt van Gods herderlijke zorg in de leiders, die hij hen had geschonken. Abraham, Mozes, David waren effectief herders geweest. Die hadden ervaring van het hoeden, leiden en omgaan met hun kudde. Een herder zorgt voor zijn schapen, hij leert er ook van. Kardinaal Schönborn vertelt in een homilie over een brief hem gestuurd door een Zwitsers priester, die in zijn jeugd herder was geweest. Deze schreef dat de schapen soms de herder leiden, dat zij een speurzin hebben voor het groene gras. Het was een tip aan de bisschop om naar zijn volk te luisteren.
Israël had evenwel weet van slechte herders. “Wee, de herders die zichzelf weiden” (Ez. 34,2). Daar tegenover stelt de profeet de herderlijke zorg van Jahwe: “Het vermiste schaap ga ik zoeken, het verdwaalde breng ik terug, het gewonde verbind ik, het zieke geeft ik weer kracht en het gezonde blijf ik verzorgen” (Ez. 34,16).
Jezus heeft het herdersberoep nooit uitgeoefend, hij was de zoon van een timmerman. Hij observeerde goed en kende het reilen en zeilen van zijn tijd. Bij zijn tochten door het land zag hij herders met hun kudde op zoek naar voedzame plaatsen. Zo kon hij met kennis naar hen verwijzen.
Wie in het Midden-Oosten reist, ziet nog steeds herders. Renaat, pastoor in Landskouter en tevens legeraalmoezenier, was een aantal keren in Libanon met Belgische militairen. In zijn nieuwjaarswens voor 2009 drukt hij een foto af van het herdersleven in Safad el-Bakth, alsook een foto van Ali, herder aldaar. Deze man laat in de velden rond Tibnine zijn kudde grazen, waar Belgische soldaten hun missie hadden.
“Het woeste en stenige terrein verbergt veel niet-ontplofte clustermunitie, restant van de oorlog in 2006, én levensgevaarlijk voor mens en dier. Hij is er zeer alert voor en met grote zorg weidt hij zijn dieren. Zijn informatie over munitie bezorgt hij ook aan onze Belgische ontmijners ter plaatse. Zoals hij zijn er onder ons veel ‘goede herders.”
Op zijn nieuwsjaarkaart drukte Renaat een afbeelding af van een fresco uit de derde eeuw, de Goede Herder. Dankzij de psalmist bidden en zingen we vaak tot God, de goede herder. Ignace De Sutter in Vlaanderen, Joseph Gelineau in Frankrijk hebben bij de liturgische hervormingen ertoe bijgedragen dat deze psalm veel werd gezongen. Psalm 23 blijft een mooie psalm ter ere van God, de Herder, bij wie wij ons veilig voelen.
Voor eerste communicanten is de uitbeelding van de herder met zijn schaapjes een vast gegeven. Soms iets te romantisch of te melig. Bij een diocesaan examen in de basisschool voor rekenen was er een vraagje over schaapjes. Enkele waren volgens het vraagstukje verloren gelopen. Er werd als antwoord een optelling of een aftelling verwacht over het aantal overgebleven schapen. Maar het jongentje of het meisje dat moest antwoorden met een getal schreef als antwoord: “De goede herder.” Het leven is te gecompliceerd om te pas en te onpas met de goede herder aan te komen (?).
Voor de op zijn autonomie gestelde mens roept het beeld van de herder houdingen op waar deze niet van houdt: afhankelijkheid, ondergeschiktheid, volgzaamheid. Wij mikken op eigenheid en zelfontplooiing. Dit is waardevol zo het niet gebeurt ten koste van anderen en de gemeenschapszin.
Jezus zegt dat hij de goede herder is en geeft als kenmerk hiervoor dat hij de zijnen kent en zij hem: “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en ik de Vader ken.” De groei in het geloof gebeurt in wederkerigheid. Zijn herderschap is gericht om leven te geven en leven te laten groeien. Franstalige pastoraaltheologen als Philippe Bacq en Christoph Theobald spreken graag over une pastorale de l’engendrement, een pastoraal om leven te wekken en te geven. Leven geven, dat kan je nooit alleen. Wij mogen ons niet opstellen of de ene alles weet en de andere alles moet leren. Het kennen veronderstelt interesse voor de andere. Het houdt de wens in van mekaar te leren. Jezus denkt in zijn woord over de herder niet aan een gesloten omheinde schaapstal. Hij heeft oog voor andere, die er bij mogen komen en naar wie hij op zoek gaat.
Confraters krijgen meer en meer parochies toegewezen. Ze voelen zich meer manager dan herder. Hun kans verkleint daardoor om “mensen te kennen en zich door hen laten te kennen.” Zij blijven zoeken om gemeenschappen te ondersteunen waar mensen zorg dragen voor elkaar en open staan voor anderen.