Leven vanuit de verwachting van het heil (2008)

B-cyclus · Kersttijd · Heilige familie · wit

Abram wordt genoemd de vader van alle gelovigen, en toch wanhoopt hij nu of er voor hem nog wel heil te verwachten is. Hij is zijn geloof kwijt. Zijn roeping heeft tot niets geleid en is verdwenen. Hij heeft van alles in zijn leven, maar niet dat ene wat hij met heel zijn hart wil, wat hem beloofd is, door het leven, door God. Al het andere telt niet, zou hij zo daarvoor willen inruilen. Daar leeft hij voor, ziet hij naar uit: zijn nageslacht.

Het is nacht, de eeuwen door het beeld voor de ziel, van eenzaamheid en verlangen, van worstelen tot het uiteindelijke moment van overgave, waarin de mens om niet ontvangt uit Gods goedheid.

God laat Abram de sterren zien. Zoals vele mensen door de natuur tot geloof kunnen komen, daar God kunnen ontmoeten, in de bloemen, de wind, de zee, de lieflijkheid of juist het ruige, machtige, zo vindt Abram God terug terwijl hij naar de sterren kijkt. Eén klein mensje opgenomen in het ontelbaar grote heelal. Daarin gaat hij niet verloren, maar vindt juist zijn plek.
‘Als ik kijk naar de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren die Gij hebt bevestigd,
wat is dan de mens dat Gij aan hem denkt,
de zoon van Adam, dat hij U ter harte gaat?
Toch hebt Gij hem bijna een god gemaakt
en hem met glorie en luister gekroond.’ (Psalm 8)
En Abram durft God weer te vertrouwen op zijn woord … met vallen en opstaan. En dit vertrouwen wordt hem tot gerechtigheid aangerekend. Dit vertrouwen maakt hem tot vader van alle gelovigen.

God schenkt zijn genade, om niet, niet omwille van zijn harde werken, zijn geloof of zijn vertrouwen, maar om niet, gratis, in vrijheid, uit liefde. Isaak wordt geboren, het kind, de zoon van de belofte, het kind van de
(glim)lach.

Het woord van de HEER klinkt in een visioen tot Abram. In dit leven zien wij God nooit van aangezicht tot aangezicht, maar God verschijnt wel op velerlei wijzen in ons leven: in dromen en visioenen; in engelen, boodschappers van de HEER; in mensen die voor ons (als) een engel zijn; in profeten, die Gods Woord voor ons spreken; in de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis; in Jezus, die voor ons dé mens is, hét hoogtepunt van Gods verschijning. In hem is God zelf verschenen (Epifanie, het feest van volgende week = verschijning); in hem is God mens geworden.

Dit is het mysterie van ons geloof, dat wil zeggen: hier zijn we nooit klaar mee ‘O, nu snap ik het.’ Steeds opnieuw blijven we deze verhalen lezen, koesteren, in ons hart bewaren en bij onszelf overwegen: hoe God in deze mens, van wie wij met Kerstmis de geboorte vieren, zijn eigen wezen heeft uitgedrukt. Zoals Nico ter Linden het uitdrukt: Dit kind is sprekend zijn Vader. God, de Bevrijder van Israël is zijn Vader, zijn naam draagt hij met ere: Jezus - God-bevrijdt - Jehoshua, en hij wordt genoemd: Immanuël, God-met-ons.

Dat wij in Jezus hét hoogtepunt van heel de wereldgeschiedenis belijden, onvergelijkbaar met heel de rest van alle andere gebeurtenissen, is een geloofsuitspraak, en wil niet zeggen dat de rest van de geschiedenis en van de mensen niet telt, of dat deze mens geen deel van de rest van mensengeschiedenis uitmaakt, daar los van zou staan. Integendeel, de Schrift doet ook vandaag niet anders dan ons laten zien hoe deze Jezus deel uitmaakt van de geschiedenis die God met zijn mensen heeft geschreven, vanaf Abraham, en leert ons zo dat God ook nog steeds doorgaat met ons geschiedenis te schrijven.

Jezus maakt deel uit van het Verbond van God met Abraham, met Mozes, en ook met ons blijft God trouw aan zijn eens gegeven Woord.


Als we de eerste paar hoofdstukken van het evangelie volgens Lucas als een schilderij zien, dan is het een drieluik, met op elk paneel telkens een man en een vrouw. In het midden het bekende kerstverhaal met Maria en Jozef en de engelen, op het linkerpaneel Zacharias en Elisabet, en rechts Simeon en Anna.

De katholieke liturgie laat ditzelfde schilderij zien met een hoofdrol voor de Lofzangen. In de Lauden, het morgengebed klinkt het loflied van Zacharias, Benedictus. In de Eucharistie het Gloria van de engelen, en in de Vespers, het avondgebed het loflied van Maria, het Magnificat. In de Completen, de dagsluiting wordt tot slot de Lofzang van Simeon gezongen, het Nunc dimittis: ‘Nu, Meester, laat U, zoals U gezegd hebt, uw knecht in vrede gaan; want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat U ten aanschouwen van alle volken hebt toebereid, een licht dat een openbaring zal zijn voor de heidenen en een glorie voor uw volk Israël.’ (Lucas 2, 29-32)

Op dit rechterpaneel, de afsluiting van dit kersttafereel van Lucas concentreren wij ons vandaag, als Maria en Jozef de kleine Jezus naar de tempel van Jeruzalem komen brengen. Ze komen hem aan God toewijden om daarmee uit te drukken dat geen enkel kind alleen van haar of zijn ouders is, maar bovenal kind van God, uniek, geheel zichzelf, meer dan alleen het product van de ouders.

Daarom zegt de Schrift, de Wet van Mozes dat ouders hun eerstgeborene aan God moeten toewijden, en zo ook Jezus, dé Eerstgeborene van de Vader. Om dit kind en zichzelf aan het leven en dus aan God toe te wijden, komen zij naar de tempel. Ze onderhouden daarmee Gods geboden, bestemd om de weg van het leven te wijzen. De Messias is gebonden aan Abraham, aan Mozes, aan het Verbond van God met Israël, aan de tempel van Jeruzalem.

Als de Schrift en Gods geboden spreken over reinheid, over reiniging van de moeder in dit geval, wordt niet bedoeld: ik was vies, laat staan: ik heb vies gedaan, maar gaat het om (opnieuw) toewijden aan de Heer, de eigen plaats in het volk van God opnieuw innemen, in dit geval nadat de moeder en het kind hebben gedeeld in het geheim van het leven (doorgeven).

Simeon en Anna zijn in de tempel. Wat zij zien, is dat de Messias de tempel van God in Jeruzalem binnenkomt. Wat een visioen, wat een droom, wat een vervulling, wat een feest! Wat een hoogtepunt van de geschiedenis! Simeon wordt traditioneel voorgesteld als een oude man, hoewel de Schrift daar niets over zegt. Ongeacht zijn leeftijd, zegt hij wel over zichzelf, dat zijn leven vandaag is vervuld: Ik heb mijn bestemming bereikt, al mijn verlangen is gestild. Het is de Geest die hem - en Anna - dit ingeeft, niet als een bliksemflits, opeens in hun leven, maar zij leefden, geïnspireerd door de Geest, in de verwachting van het heil voor Israël. Deze man en vrouw zijn samen het beeld voor heel Israël, voor al die gelovige Joodse mensen, die met vallen en opstaan, biddend en zingend als wij, leven met de Tora, die vol verwachting uitzien naar de komst van de Messias, die verlangen naar een leven zoals God dat van in den beginne heeft bedoeld, én zij wijden zich met hun leven daar aan toe.

Zeven maal twaalf jaar is Anna, en met vasten en bidden dient zij de HEER. Zij ziet uit naar het licht van de dag, meer dan wachters naar de morgen. Maar niet alleen licht beloven zij aan dit kind en zijn moeder, want de Messias zal moeten lijden, en waar licht is, is ook duisternis; waar heil is, ook onheil; waar vreugde is, ook pijn, die dwars door de ziel kan gaan.

En toch, als wij één ding van de H. Familie, van Jezus, Maria en Jozef mogen leren, dan is het te luisteren naar deze twee mensen, hoe zij met heel hun ziel verlangen naar de Messias en zijn rijk, en zich in trouw aan het Verbond met heel hun leven hiervoor inzetten.

Zoeken in Preken Online