Hopelijk hebben jullie allemaal een vredevol kerstfeest mogen vieren binnen je eigen familie. Wellicht bent u dan ook bewust geworden van wat het betekent een goede familie, een ‘thuis’ te hebben. Vandaag op deze zondag - binnen het octaaf van Kerstmis - nodigt de Kerk ons uit om ons te bezinnen over de waarde van een christelijk huisgezin.
Nu is het tegenwoordig niet gemakkelijk om te spreken over het gezin. Het is de preek waarop de pastoor de meeste reacties verwachten kan. En dat is ook te begrijpen. Want voor het eerst in de geschiedenis zien we dat vele ouders de traditionele waarden van de familie niet meer kunnen overdragen aan de volgende generatie. Het familiaal leven staat onder de druk van een voortdurende structuurverandering in de maatschappij. De veilige muur rond het gezin wordt afgebroken door velerlei omstandigheden: het noodzakelijk werken buitenshuis van beide ouders, de financiële onafhankelijkheid van elkaar, de vroege zelfstandigheid van de kinderen, het generatieverschil, enzovoort.
Hoe kan men nog spreken over gezonde huwelijken als men weet dat een derde van alle gehuwden gescheiden zijn, als de ouders niet meer weten volgens welke maatstaven zij hun kinderen moeten opvoeden, als de meeste huwelijken weekendshuwelijken zijn geworden.
Al deze problemen waren er nog niet toen Paus Benedictus XV in 1921 dit feest instelde om ons te bezinnen over de waarde van het gezin. We moeten er hem vandaag dubbel dankbaar voor zijn. Want wij zullen ook in deze tijd moeten zorgen voor goede gezinnen.
Het gezin is nog steeds de hoeksteen van de maatschappij, de bevoorrechte plaats om ‘echt’ mens te worden. Daar is men thuis en kan men rustig opgroeien, daar kan men zichzelf zijn, daar weet men zich aanvaard ondanks zijn tekorten. In het gezin kan je telkens weer tot adem komen als men gespannen thuiskomt van het werk; daar mag men uitrusten van het zware werk en het presteren; daar moet men niets en mag men alles. Het gezin is als een groene zone in het harde arbeidscircuit.
Het is ook de plaats van geborgenheid in onze onherbergzame wereld. Daar mag men leven met mensen die je gaarne zien, met wie men verbonden is in liefde, waarmee men zich één voelt in alle verscheidenheid.
Binnen het gezin leer je omgaan met je gevoelens. Daar mag je huilen en soms ook eens vloeken; daar mag je bang zijn en uitgelaten; je mag zeggen wat je wil en ook eens kijven, in de zekerheid dan men vrienden zal blijven. Wie die ruimte niet kreeg zal de littekens er van heel zijn leven lang blijven dragen.
Nu mag de familie geen ivoren toren zijn waarin we ons opsluiten, waarin we ons afsluiten voor de anderen. De minirelaties met elkander moeten uitgroeien in maxirelaties met vele anderen. Een gezond familieleven dient als uitvalsbrug naar de wereld. Niemand van ons kan leven voor zichzelf alleen. Geen enkel gezin kan zelfgenoegzaam leven want het maakt deel uit van de wereldomvattende mensenfamilie. God, de Vader van alle mensen, wil dat wij als broers en zusters samen leven. Alles wat de wereld schokt aan ongerechtigheid en onvrede moet in elke familie zijn weerklank vinden als een oproep om van deze wereld een stad van vrede te maken, waarin het voor elke mens goed is te leven. Als er in de wereld nog iets overgebleven is van het aardse paradijs, dan moet dat terug te vinden zijn in een gezond familieleven, in een gelukkig gezin. In een gezin zoals dat van de heilige familie van Nazaret.