Behalve de vier evangelies die wij allemaal kennen, Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes, zijn er bij de christenen van de eerste eeuwen nog een groot aantal andere evangelies ontstaan, de zogenaamde apocriefe evangelies. Maar die zijn door de Kerk nooit erkend. Nu is het interessant dat die apocriefe evangelies niet vertellen dat Jezus door Johannes gedoopt werd. Er is zelfs één apocrief evangelie dat uitdrukkelijk vermeldt dat Jezus zich door Johannes niet wilde laten dopen. Volgens dat evangelie zou een aanhanger van Johannes Jezus gevraagd hebben waarom Hij dat niet wilde, en Jezus zou hebben geantwoord: ‘Omdat Ik niet behoor tot het getal van de zondaars.’
Daaruit blijkt hoezeer de eerste christenen zich verzetten tegen de voorstelling dat Jezus door Johannes gedoopt zou zijn. Als je je door Johannes liet dopen, maakte je daardoor duidelijk dat je op de verkeerde weg was, dat je niet leefde volgens de bedoelingen van God, dat je vergiffenis nodig had en dat je een ander leven wilde beginnen. En dat konden de eerste christenen maar moeilijk in overeenstemming brengen met de waardigheid van Zoon van God.
Toch vertellen onze evangelies heel uitdrukkelijk dat Jezus zich door Johannes liet dopen. Maar dat kan volgens de evangelisten niet betekenen dat Jezus zich liet dopen als een boeteling, die bekering nodig heeft, die zijn daden betreurt. De betekenis van dat doopsel moet zijn dat Jezus zich met ons solidair verklaart. Ik geloof dat wij dat kunnen vergelijken met het jawoord dat een bruid haar bruidegom geeft. Zij belooft hem trouw te blijven in goede en kwade dagen, in ziekte en gezondheid. En ook als hij later een ongeluk krijgt en in een invalidenwagentje rondgereden moet worden, zal zij hem niet in de steek laten.
Het doopsel van Jezus is zoiets als een jawoord tegenover ons, tegenover de mensheid. Hij laat zich dopen tot dienst, tot dienstbaarheid. En het vervolg van zijn leven is de verwezenlijking van dat jawoord. Zo zouden wij ook een beetje ons doopsel moeten zien: als ons jawoord tegenover God en tegenover de mensen, ons woord van trouw, onze belofte van dienstbaarheid aan God en aan de mensen.
Iemand die moederziel alleen staat, die voor niemand hoeft te zorgen, die niemand tot nut is, voelt zich waardeloos en onvoldaan. Want ieder mens wordt in zijn leven geroepen tot een taak, tot een opdracht, tot een dienst aan anderen. Voor de meesten is dat de gewone taak van vader, moeder, werknemer, huisvrouw, in ieder geval iets dat kan beleefd worden als een zinvolle levensbestemming.
Ons doopsel verzinnebeeldt onze solidariteit met Christus, en daarom is het ook onze wijding tot dienstbaarheid. Door het doopsel worden wij deelgenoot van Christus, lidmaat van het lichaam dat de Kerk is en waarvan Hij het hoofd is, delen wij in Zijn goddelijk leven, maar hebben wij evenzeer deel aan zijn verlossende taak. Daardoor wordt geen enkel leven zinloos, ook niet dat van een gehandicapte of van een zieke, die niets meer kan en zich vaak nutteloos voelt. Door zijn ziek-zijn neemt hij deel aan de verlossende taak, die Christus zichzelf en zijn Kerk heeft toebedeeld. Door onze eenheid met Christus in het doopsel wordt alles wat wij doen, zelfs het geringste, dienstbaarheid aan onze medemensen.
Zo hebben ook in het verleden diegenen die zich het meest verdienstelijk hebben gemaakt in de Kerk hun doopsel verstaan. En zo verstaan diegenen die het best de idealen van de Kerk verwezenlijken het nog altijd, ik bedoel: diegenen die zich belangeloos inzetten voor het welzijn van hun medemensen.