Marcus is hier bezig met de aanzet van het drama dat hij ons gaat vertellen. Dat het een dramatische gebeurtenis is maakt hij al duidelijk door de manier waarop hij de komst van Jezus vertelt. Er zijn hier geen engelen, geen sterren, geen vader en geen moeder. Marcus vertelt het verhaal op zulk een manier dat we er in onze kerstviering weinig mee kunnen doen. Hij introduceert Jezus in enkele abrupte woorden. Als je Marcus leest zonder daarbij aan de verhalen van Matteüs en Lucas te denken, is Jezus’ verschijning een anticlimax, een teleurstelling.
Wie had verwacht dat de vervulling van alle menselijke hoop af zou gaan hangen van iemand die van de onderkant van de samenleving komt? Jezus komt volledig anoniem, een totaal onbekende, vanuit een plaatsje dat zo gering is dat het in de geschriften van die tijd nooit ergens vermeld werd. We horen er alleen van omdat hij er vandaan kwam. Hij komt bij Johannes de doper aan zonder de geslachtsboom en de wonderen rond zijn geboorte die Matteüs en Lu¬cas hem mee geven.
Zeggen dat iemand van Nazaret kwam, betekende zoveel als zeggen dat hij van nergens kwam. Marcus voegt aan die plaats naam toe dat het in Galilea lag, hetgeen de zaak nog erger maakt, want op Galilea keek iedere niet-Galilese Israëliet met minachting neer. Het lag in het noorden, terwijl Jeruzalem in het zuiden lag, het was omringd door heidense, gehelleniseerde steden, het was over het algemeen arm, en door Samaria van de rest van Israël afgesneden. Het lag zo ver van het centrum Jeruzalem, dat het eerlijk gezegd belachelijk was, om van daaruit iets te verwachten. Zeker niet in een tijd dat de symboliek van ruimte en tijd belangrijker was dan tegenwoordig.
De vorige week hoorden we dan ook hoe zelfs de vreemdelingen uit het oosten, die de ster achterna gereisd waren, meenden dat het begin van het nieuwe wel in Jeruzalem te vinden zou zijn. Ze werden vandaar door de ingewijden doorverwezen naar Betlehem, de koninklijke stad van David, maar het behoorde tot het traditionele nationalistische geloof dat een verlosser en een verlossing alleen maar vanuit het centrum, vanuit Jeruzalem zou kunnen komen.
Marcus draait die verwachting om. Het heil komt vanuit de periferie, van de onderkant. Dit is de tweede keer dat hij doet, en het verhaal is nauwelijks begonnen. De eerste keer is wanneer hij beschrijft hoe dat mensen van Jeruzalem komen om ergens in de wildernis door Johannes gedoopt te worden.
Het is de ogenschijnlijk armzalige afkomst van Jezus die wat er bij zijn doop gebeurt zo dramatisch maakt. Boven hem scheurt de hemel open. Op dat ogenblik wordt het plotseling duidelijk dat er hier achter de schermen iets geweldigs aan het gebeuren is. Het is een apocalyptisch moment. De hemel zelf is hier met de aarde bezig. Het is ook een directe toespeling en een antwoord op het gebed van Jesaja die gesmeekt had: ‘O, dat de hemel toch opengescheurd en je naam bekend gemaakt zou worden!’ (Jes. 64,1).
Marcus vertelt dan hoe Jezus de geest als een duif op zich neer zag dalen, en dat hij een stem hoort, die hem ‘mijn zoon, mijn veelgeliefde’ noemt, een verwijzing naar oude titels en namen voor de vernieuwer van de wereld, van degene die door Jahweh opgezet wordt tegen ‘de heersers van deze wereld’: ‘Dit is het besluit van de Heer: hij sprak tot mij: gij zijt mijn zoon. Ik heb u heden verwekt. Vraag mij, ik geef u de volken als erfdeel, schenk u de aarde als eigendom. Breek hun verzet…‘ (Ps. 2,7-10).
Het is in deze context dat Jezus op het ogenblik van zijn doop afrekent met de hele toen - en nu nog - bestaande oude menselijke wereld. Marcus had zijn relaas niet dramatischer kunnen beginnen. De nieuwe wereld wordt hier in de Jordaan geboren.
Zijn doopsel is een teken dat hij aan het oude spel in deze wereld niet mee wil doen. Het gevecht met de heerser van de wereld is begonnen. Van nu af is Jezus een vreemdeling in de oude wereld, een vogelvrij verklaarde. In Marcus’ relaas is de heerser van de wereld zich daar wel bewust van. Marcus voert Jezus onmiddellijk na zijn doopsel af naar de onderkant, naar de wildernis, waar Jezus veertig dagen lang bekoord wordt door satan. Aan de ene kant de ‘beesten’ van deze wereld, en aan de andere kant hemelse ‘engelen’ Een symboliek die er niet om liegt.