HOMILIE OP VADERDAG (10 juni 2012)
In “Cider voor arme mensen” van Hella Haasse komt een passage voor waarin de zoon, Reinier, aan zijn vader meedeelt dat hij niet in de zaak bij hem wil werken, maar gaat studeren. Waarop de vader reageert en zegt: “Dat mijn enige zoon niets geeft om traditie, continuïteit, en die dingen eenvoudig naast zich neerlegt. Je beseft niet wat het voor mij betekent.“En dan komt prompt het antwoord van de zoon: “Ik besef het wel. Ik besef het omdat ik respect voor je heb, omdat ik weet dat je een onkreukbaar hardwerkend man bent, kundig in je vak, diep overtuigd van de geldigheid van de wetten en normen waarmee je bent grootgebracht. Ik stel je functie van vader op losse schroeven, omdat je aan mij niets overdragen kunt, gezag noch geloof. Ik besef het, ik zie in hoe tragisch het is dat jij en ik niet meer in dezelfde wereld leven. Ik heb geen ander houvast dan dat ik je zekerheden niet benijd.”
Dat gevoelen van onmacht ervaren vele vaders op onze dagen: onmacht om wat zij zelf als heilig en belangrijk vinden over te dragen op hun kinderen.
Maar ook het antwoord van de zoon is een treffende verwoording van wat vele nochtans goedmenende kinderen op onze dagen voelen: de ervaring dat zij en hun ouders niet meer in dezelfde wereld leven.
Op deze dag, waarop wij terecht de vaders vieren, is het goed daarbij even stil te staan.
Tot troost van zowel de vaders als de kinderen is het goed te weten dat een spanning tussen ouders en kinderen zo oud is als het mensdom.
Toch zou ik graag aan alle vaders, die het op onze dagen dikwijls heel moeilijk
hebben, drie wegen willen wijzen, die voor het ware vaderschap altijd geldend blijven omdat ze geïnspireerd zijn op Gods Vaderschap. Ik heb me daarbij laten
leiden door het boek dat Henri Nouwen in 1991 gepubliceerd heeft, nl.
“Eindelijk thuis: Gedachten bij het schilderij van Rembrandt ‘De terugkeer van de verloren zoon’”.
De drie wegen voor elk werkelijk vaderschap zijn: de weg van het verdriet, de weg van de vergeving en de weg van de edelmoedigheid.
De eerste weg is de weg van het verdriet:
Het verdriet waarmee elke vader moet leren leven, is het verdriet van het bestendig loslaten, van de onthechting. Elke vader koestert voor zijn zoontje of dochtertje de mooiste dromen. Dat mag en dat moet zelfs! Maar heel vlug ervaart elke vader dat zijn kind een soort kladschrift is met veel vlekken en doorhalingen, dat het verre van volmaakt is. Kortom, hij ervaart dat zijn kind anders is dan wat hij ervan gedroomd heeft. Het verdriet van elke vader is de
onthechting aan de mooie droom over zijn kinderen.
Het verdriet van elke vader is ook het loslaten van de weg die hij voor zijn kinderen uitgestippeld heeft: ze kiezen soms een compleet andere studierichting of beroep dan wat de vader zou kiezen; ze verkeren met een compleet ander meisje of jongen dan het meisje of de jongen van vaders dromen; ze gaan wonen in een streek of land ver van vaders huis en ze hebben een levensstijl die sterk verschilt van die van hun vader. Dat alles mag en moet misschien, maar berokkent soms veel verdriet aan vele vaders. Het is het verdriet van het loslaten, van de onthechting: nochtans een noodzakelijke voorwaarde voor een waarachtig vaderschap. Want je beloont een vader slecht als je steeds zijn kind blijft.
De tweede weg voor elk waarachtig vaderschap is de weg van de vergeving:
Ieder kind misdoet wel iets tegen zijn vader. Vondel schreef het reeds:
“Och d’ouders teelen ’t kind
en maken ’t groot met smart;
het kleene treet op ’t kleed,
het groote treet op ’t hart.”
Wat in de 17e eeuw waar was, ervaart elke vader ook op onze dagen.
Een echte vader verstaat de kunst van het onvoorwaardelijk vergeven: zonder haat of kwaad in zijn hart; zonder achteraf van zijn zoon of dochter te willen
horen dat hij, achteraf gezien, toch gelijk had of tenminste het meeste verstand gebruikt heeft.
Dat vergeven wil zeggen dat je als vader je zoon of dochter nooit klasseert of afschrijft, maar steeds nieuwe kansen biedt om te herbeginnen, wat misschien zal inhouden dat je kind je weer ontgoochelt of voor de zoveelste keer misbruik maakt van je goedheid. Vergeven is klimmen over de muur van je argumenten of gevoelens, klimmen over de muur van je angst opnieuw misbruikt of gekwetst te worden, klimmen over je muur van trots en van verlangen om meester van de situatie te blijven.
De derde weg voor het ware vaderschap is die van de edelmoedigheid.
Een kind meet de waarde van zijn vader niet af aan zijn kennis of diploma’s, zijn functie in de maatschappij, zijn evenwicht, zijn kunde of vaardigheid, maar aan zijn edelmoedigheid, zijn eerlijkheid, zijn luisterbereidheid, zijn aanwezigheid, beschikbaarheid, enz.
Een vader mag heel veel fouten of gebreken hebben als hij maar bekommerd is met het levensgeluk van zijn kinderen, en dat me een grenzeloze edelmoedigheid.
Vandaag, op Vaderdag, bidden wij met veel respect voor alle vaders. Want echte vader zijn is een moeilijk baantje: de weg van het verdriet, de weg van de vergeving en die van de edelmoedigheid zijn immers moeilijke wegen.
Maar het kind van zo een vader is een gelukkig kind. En de vader die bereid is deze drie wegen te behandelen, is een gelukkige vader.
Ik wens aan alle vaders gelukkige kinderen en aan alle kinderen een gelukkige vader.
G. Buyse, pastoor-deken em Tielt
Homilie op het Feest van de Heilige Drie-eenheid (Mt. 28, 16-20)
Tielt, 3 juni 2012
Eigenlijk zouden we vandaag de mis in openlucht moeten vieren, in de mooie tuin van de zusters of nog beter op de Poelberg. En dat niet alleen omdat het lente is, maar omdat het evangelie vandaag erom vraagt naar buiten te treden. We hoorden het zopas in het evangelie: “De 11 leerlingen trokken naar Galilea, naar de berg die Jezus hun had aangewezen.”
Welke berg was dat? We weten het niet. Maar voor de eerste leerlingen gaan er bij het horen van het woord “berg” allerlei belletjes rinkelen. De berg dat is de plaats waar Mozes uit de hand van Jahweh de 10 geboden ontving, ook de plaats waar Jezus zijn Bergrede hield waar Hij zijn beginselprogramma afkondigde. De berg, dat is de plaats waar Jezus de mensen leerde het brood zo te delen dat ieder genoeg had en er zelfs nog overbleef. De berg, dat is de Tabor waar een drietal leerlingen van Jezus een glimp mochten opvangen van zijn heerlijkheid. Een zeer heilige plaats dus.
Matteüs schrijft verder in zijn evangelie: “Toen ze Hem zagen, vielen ze in aanbidding; sommigen echter twijfelden.”
Wat dat twijfelen betreft, lijkt het wel een beschrijving van onze bijeenkomst hier, want wie van ons durft te zeggen dat hij als gelovige nooit twijfelt? Matteüs heeft er kennelijk geen behoefte aan de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Hij weet maar al te goed dat de Kerk altijd een vereniging is van twijfelaars, toen en ook nu. Het geloof van de eerste leerlingen is, net als het onze, een geloof vermengd met twijfel. Of, om het wat positiever te zeggen: ons geloof is altijd in de maak, nooit af, nooit volmaakt.
“Kleingelovigen” zei jezus herhaaldelijk aan zijn leerlingen? Dat zou Hij ook aan elkeen van ons zeggen. Maar Hij voegt eraan toe: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun alles te onderhouden wat ik u bevolen heb. Maar weet wel, Ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.”
Dat programma geeft Jezus aan zijn leerlingen mee. Want met die woorden raken we het mysterie van het innerlijk leven van God. God is liefde. Wat Jezus zijn leerlingen opdraagt is dit: ze moeten alle mensen onderdompelen in die liefde van Vader, Zoon en Geest, hen vertrouwd maken met het geheim van Gods liefde. Dat verkondigen is de opdracht van de hele Kerk, van ons allemaal.
Nu stellen we ons wel eens de vraag wat voor Kerk Jezus voor ogen heeft gehad. Onder de gelovigen is daar niet altijd overeenstemming over. Laten we dan maar goed kijken en luisteren naar Jezus zoals Hij daar op de berg, in openlucht, zijn leerlingen toesprak.
Dan is het wel duidelijk: Jezus heeft toen niet gedacht aan een Vaticaanse Staat, niet aan gemijterde prelaten, niet aan een territoriale opdeling in bisdommen, federaties en parochies, niet aan kathedralen, kerken en kapellen. Dat is allemaal mensenwerk, wel nodig misschien, maar altijd vervangbaar door iets anders. Waar Jezus het op de berg, in openlucht, over heeft met zijn leerlingen, is het bijeenbrengen van alle mensen in de liefde. Om dat te verkondigen worden wij allemaal uitgezonden. Het is een wereldwijde opdracht, een opdracht die verder gaat dan de muren van een kerkgebouw.
Het zou dus niet zo gek zijn op Drievuldigheidszondag de eucharistie in openlucht te vieren.
Maar blijf voorlopig toch maar binnen.
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt