Drievuldigheidszondag (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit

Op de lagere school wist ik precies hoe het zat met de Heilige Drievuldig­heid. In de Catechismus van toen stond het haarfijn uitgelegd in vraag- en antwoordvorm:

Is er meer dan één God?

Neen, er is maar één God.

Hoeveel goddelijke Personen zijn er?

Er zijn drie goddelijke Personen: God de Vader, God de Zoon en God de heilige Geest.

Waarom zijn de drie goddelijke Personen maar één God?

De drie goddelijke Personen zijn maar één God, omdat zij alle drie maar één en dezelfde godde­lijke natuur hebben.

Wat is het mysterie van de Heilige Drievuldigheid?

De mysterie van de Heilige Drievuldigheid is het mysterie van één God in drie Personen.

Bij iedereen van mijn generatie zitten die catechismusantwoorden erin gehamerd. Maar geef toe, zo moeilijk was het ook weer niet.

Vreemd eigenlijk dat ik, denkend aan ‘Drievuldigheid’, spontaan teruggreep naar wat mij meer dan 50 jaar geleden geleerd werd. Die kinderlijke catechismuspraat werd in de loop der jaren blijkbaar niet verdrongen door nieuwe ideeën over de Drieëen­heid. Zoals het toen geformuleerd werd, was het ook niet iets om van wakker te liggen: God één in drie Perso­nen; ik kon mij daar niet veel bij voorstellen, maar dat hoefde ook niet want het was toch een mysterie. Trouwens, het was een interne zaak van God, en dus niet echt mijn zaak. Ik heb het feest van de Drievuldigheid jaarlijks onder­gaan, maar echt raken deed het me niet.

Dat wordt anders als je op dat feest moet preken. Je moet er dan wel bij stilstaan en erover nadenken, tenzij je je er wil van afmaken met wat vroom­klinkend maar weinigzeggend gezwets.

Al vrij snel kom je tot het besef dat men het zich, als gelovige, eigenlijk niet kan permitte­ren om te zeggen: dat is Gods zaak, het raakt me niet.

In navolging van de evangelietekst die we daarnet hebben ge­hoord, zijn wij immers allemaal gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en in naam van diezelfde drie zullen we ook begra­ven worden; telkens wij een kruiste­ken maken spreken wij Gods drie­voudige naam uit; elke zondag komen wij hier bijeen rond de Vader, Zoon en Geest, en gaan wij van hier weg gezegend in de naam van diezelfde Vader, diezelfde Zoon en diezelfde Heilige Geest.

De Drieëenheid blijkt zo’n centrale plaats in te nemen in liturgie en gebed dat wij er ons wel degelijk bij betrokken zouden moeten voelen, dat die drievoudige naam van God wel iets met ons geloofsleven moet te maken hebben. In plaats van de Drieëenheid weg te wuiven met ‘het raakt ons niet’, moeten we ons afvragen wat God als Vader, als Zoon en als Geest in en voor ons geloofsleven te betekenen heeft.

Als Jezus, bij zijn definitief afscheid, zegt: “Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest”, dan noemt Hij die drie namen van God niet ‘zomaar’, maar legt Hij een relatie met ons, mensen. Hij heeft het immers over alle volkeren; het gaat over iedereen. Vader, Zoon en Geest, is niet alleen Gods zaak, maar ook zaak van elke mens.

Als ik God met ‘Vader’ aanspreek, dan beken ik mezelf als zijn kind, erken ik dat ik mijzelf ontvangen heb uit Gods hand. Als Jezus ons leert dat God ‘onze Vader’ is, dan is zijn boodschap: God is de persoonlijke oor­sprong van elke mens. Aan die oorsprong ontleent elkeen zijn/haar menselijke rech­ten. We komen alle­maal gelijkelijk uit Gods hand, uit Gods hart. Voor Hem tellen alle mensen gelijk omdat ze allemaal een stukje van Hemzelf zijn.

Dat besef legt tegelijk onze zwakke plek bloot: voor ons ’tellen’ mensen lang niet altijd gelijk. Het vader­schap van God veroordeelt elke vorm van egoïsme, per­soonlijk egoïsme zowel als groepsegoïsme, zowel ‘mijn kind schoon kind’, als ‘eigen volk eerst’. Heel veel van het onrecht dat mensen elkaar aandoen, is alleen maar te verklaren omdat we de idee van Gods vaderschap onvoldoende tot ons laten doordrin­gen.

En dan is er de tweede persoon, de Zoon. In de proloog van zijn evangelie schrijft Johannes dat in de Zoon de hele schepping geschapen/herschapen is, ‘kroost’ van God geworden is. Dat is dan de tweede wijze waarop de mens­heid bij elkaar gehouden wordt. We zijn tezamen geschapen, we horen bij elkaar. We zullen onszelf alleen maar vinden als wij die samenhang in ons leven waarma­ken. Maar dat lukt niet tenzij we ervan uitgaan dat wij, in de herscheppende kracht van Gods Zoon, samen met de rest van de schepping Gods kroost vormen. Het gaat hierbij niet alleen om respect voor plant en dier, lucht en water; het gaat over rechten - en over de daaraan corresponde­rende plichten - gefundeerd in onze gezamenlijke goddelijke afkomst.

En dan is er de heilige Geest, die leven geeft. Hij is de levensdynamiek die in elke mens schuilt en werkt. God die, aldus het scheppingsverhaal, zijn adem, zijn Geest in de neus van de mens geblazen heeft en hem zo tot leven heeft gewekt; de Geest die zich in Jezus zo helder onder ons manifesteerde; de spirit die sinds Pinksteren de Jezusmentaliteit onder ons levendig houdt. De Geest die ons op die manier ook weer met iedereen en alles geestelijk en lijfelijk verbindt.

Geen wonder dat Jezus, nadat hij die woorden Vader, Zoon en Geest over ons uitgespro­ken had, er een opdracht aan toevoeg­de: “Ga en maak alle volkeren tot mijn leerlingen”, niet alleen om dit alles aan iedereen, over alle generaties heen, bekend te maken, maar ook “Leer hun alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb”. Leer hun de consequenties kennen en aanvaarden van het feit dat wij, in de Vader, de Zoon en de Geest, één zijn door goddelijke afkomst, één zijn als kroost Gods, één zijn omdat wij allen leven door het éne leven van de Geest.

Natuurlijk zegt ‘Drieëenheid’ iets over God. Maar het zegt ook iets over ons, het zegt ook iets tot ons.

Inspiratiebron:
Donders Sjef, Bijbels bezien. Marcus, ’s-Hertogenbosch/Brugge, Katholieke Bijbelstichting/Tabor, 1993, blz. 52-53.

Zoeken in Preken Online