Broeders en zusters in Christus,
De afgelopen zondagen hebben we gehoord hoe Jezus zijn leven en werken in het openbaar begonnen is. Hij roept allereerst aan het meer van Galilea vier vissers om Hem te volgen.
Op de sabbat gaat Hij naar de synagoge in Kapharnaüm en leert daar niet zoals de schriftgeleerden, maar als een gezaghebbende. Het woord dat Marcus gebruikt duidt zelfs op een goddelijke volmacht. De aanwezigen in de synagoge hebben snel door dat Jezus op een andere wijze met de Schrift omgaat dan de schriftgeleerden. Zij houden zich bezig met het uiterst precies uitpluizen van de wet en een starre naleving tot op de letter. Maar het gaat niet om de dode letter, maar om de levende Thora. Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw kracht. En het Hooglied spreekt over de Thora als een geliefde: leg mij als een zegel aan uw hart, als een zegel aan uw arm want sterk als de dood is de liefde. Van deze liefde voor de Thora, de wet, getuigt Jezus van binnenuit. De wet niet als een juk, een last maar als evangelie, blijde boodschap van heil en bevrijding. Jezus verkondigt niet alleen de blijde boodschap van heil en bevrijding maar brengt direct heil en bevrijding teweeg.
In het evangelie van Marcus is de eerste genezing die Jezus doet wel zeer symbolisch. In de synagoge begint een man met een onreine geest te praten en te schreeuwen. Jezus gebiedt de onreine geest te zwijgen en drijft hem uit. Als we willen dat de boodschap van Jezus bij ons overkomt dan moeten we er ons in de eerste plaats voor openstellen. Daarom vragen we voor de schriftlezing aan de Heilige Geest of hij alle belemmeringen voor een goed verstaan wil wegnemen en ons duistere verstand verlichten. Voor een goed verstaan , een goede ontvangst is het nodig dat de stoorzender, de ruis wordt weggenomen. Want iemand met een onreine geest is zo in de ban van al die dingen die in de wereld zo belangrijk schijnen, dat hij geen oog heeft voor het meest wezenlijke van zijn bestaan en eraan voorbij leeft. Door deze eerste genezing, teken van bevrijding, schept Jezus direct bij zijn eerste openbare optreden de openheid die nodig is voor het ontvangen van het Woord.
Dan volgt bijna terloops de genezing van de schoonmoeder van Petrus die met koorts te bed ligt. Daarna horen we dat mensen in de avond zieken naar Jezus brengen ter genezing. Er wordt zonder nadere aanduiding gesproken over allerlei ziekten op één uitzondering na. Marcus spreekt ook hier weer met nadruk over mensen die bezeten zijn van demonen, boze geesten. ’s Ochtends heeft Jezus in de synagoge een onreine geest het zwijgen opgelegd en hem uitgedreven. ’s Avonds gebeurt hetzelfde: vele demonen dreef Hij uit en Hij liet de demonen niet toe te spreken omdat zij Hem kenden. En enkele regels verder lezen we dat Jezus in heel Galilea preekt in de synagogen en boze geesten uitdrijft.
Marcus geeft hier uiterst beknopt het program van Jezus weer. Jezus legt in de synagoge de Schrift uit maar plaatst zijn blijde boodschap niet tegenover de thora. Met de blijde boodschap maakt Jezus de kern van de thora weer helder en levend en verdrijft de donkere krachten van ongeloof en wanhoop die in ons zijn.
Vandaag lezen we het laatste gedeelte van het eerste hoofdstuk van Marcus. In het voorafgaande ging het over onreine geesten, nu gaat het om een melaatse, iemand met een onreine huid die als een verstotene buiten de stad leefde meestal in grotten of tussen de graven. En als hij iemand van verre aan zag komen moest hij roepen: “onrein, onrein”.
Marcus confronteert ons direct met de twee ergste ziekten die je in de tijd van de bijbel konden overkomen, het hebben van een onreine geest, bezeten zijn en de melaatsheid.
De term “melaatsheid” levert nogal wat problemen op, want wij denken dan aan lepra, een tropische ziekte die in de tijd van het O.T. in Israël niet voorkwam.
Onder de Hebreeuwse term tsara’at, die wij vertalen met “melaatsheid” moeten een aantal huidaandoeningen worden verstaan. Maar we lezen ook dat stoffen, leer, de muren van een huis, melaats kunnen zijn. In dat geval zouden wij eerder spreken over mot en schimmel.
In de lezing van Leviticus horen we dat iemand met een vermeende huidziekte naar de priester gaat. De priester observeert de aangetaste plek op de huid, isoleert zonodig de patiënt voor een of twee weken. Is de plek gedoofd, dan wordt de patiënt rein verklaard. Is de aangetaste plek dieper dan de huid en is er wild vlees ontstaan, dan is er sprake van melaatsheid en wordt de patiënt onrein verklaard. Dat betekent dat de zieke in totale afzondering buiten de gemeenschap moet verblijven en ook niet mag deelnemen aan de godsdienstoefeningen.
De plaag van de melaatsheid werd gevreesd en ieder contact met een melaatse moest vermeden worden. Als de melaatse dacht dat hij genezen was, dan moest hij zich aan de priester tonen die daarvoor buiten de legerplaats kwam. Was de ziekte geweken dan bracht de priester voor de reiniging een offer. Bij ziekte en gezondverklaring draait alles om de priester, om zijn verklaring van rein of onrein, dat wil zeggen, weer deel mogen uitmaken van de gemeenschap of verstoten zijn.
In de tijd van de bijbel had men geen weet van de oorzaken van ziekten. Daarom werd de ziekte met zijn onbegrijpelijke oorzaak in een religieus kader geplaatst en de oorzaak toegeschreven aan God. Zeker in het O.T. hebben ziekte en zonde alles met elkaar te maken en wordt een ziekte gezien als een straf van God. Zo zien we dat in het O.T. mensen met melaatsheid gestraft worden, ja zelfs Mirjam, de zuster van Mozes.
Nu we gezien hebben hoe in het O.T. met melaatsheid wordt omgegaan, wordt het verhaal van Marcus heel bijzonder.
Als wij ziek zijn gaan we allereerst naar een reguliere arts. Als we hier helemaal geen baat bij hebben, gaan we wellicht op zoek binnen de alternatieve geneeswijzen in de hoop dat daar misschien genezing gevonden kan worden.
Bij de melaatse in het evangelie van Marcus gaat het heel anders. De melaatse heeft zeker gehoord van de genezingen die Jezus gedaan heeft. Hij die ver van iedereen vandaan moet blijven, doorbreekt de regels en gaat naar Jezus toe. En hij zegt niet: “kunt u mij misschien genezen” maar met het volste vertrouwen:" indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen".
Waar komt dit sterke geloof vandaan bij iemand die alleen maar van Jezus gehoord maar hem nog nooit ontmoet heeft ? Dit geloof heeft hij niet van zichzelf en we mogen denken aan de woorden die Jezus spreekt door de mond van de apostel Johannes: “niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader die Mij gezonden heeft, hem getrokken heeft”. Voordat Jezus het grote taboe doorbreekt en de melaatse aanraakt, is de melaatse van binnen al geraakt door de stem van het geloof en de kracht van de Heilige Geest. En dat is zeker het grootste wonder.
Wie met zo’n geloof bij Jezus komt, zal niet teleurgesteld worden. Jezus zegt: “Ik wil het, word rein” en terstond gebeurt het. Bij de schepping sprak God “er zij licht” en er was licht. Een Woord dat geschiedt, dat gebeuren, daad is.
Zo is het woord van Jezus ook een scheppingswoord. De melaatse wordt rein, dat wil zeggen, wordt weer helemaal mens, is geen verstotene meer die tussen de graven leeft, maar mag weer deel hebben aan de gemeenschap, komt weer tot leven.
Hij die zijn stem alleen heeft mogen gebruiken om mensen op een afstand te houden door te roepen “onrein, onrein”, mag nu weer communiceren met mensen. Maar over de genezing, het heil dat aan hem geschied is, verbiedt Jezus hem te spreken. Waarom mag de melaatse niet spreken over dat waar zijn hart van vol is ?
Jezus wil voorkomen dat men hem louter gaat zien als een wonderdoener waar veel mensen voor de sensatie op afkomen. De genezing is niet alleen een uiterlijk teken. Wie Jezus werkelijk is, kan slechts begrepen worden door hen die door toedoen van Jezus heil en bevrijding aan den lijve ondervonden hebben. God en Jezus zijn alleen te ervaren door de heilsdaden die zij aan ons doen. Zomaar zeggen dat Jezus de Messias is, heeft geen zin. Het Messiasschap van Jezus is geen feitelijke constatering. Slechts degenen die door Hem innerlijk geraakt zijn en Hem willen navolgen in het doen van gerechtigheid en het brengen van vrede, mogen tenslotte ervaren wie Hij is.
De melaatse gaat niet uit eigen beweging naar Jezus toe, maar wordt als het ware door de Vader getrokken door de kracht van de Heilige Geest. Het is niet zijn wil maar Gods wil in hem en daar getuigt hij van : indien Gij wilt, kunt Gij mij genezen.
Zonder dat eerste moment van geraakt, aangeraakt worden en op het spoor gezet worden naar de Vader toe, beginnen we niets.
Al 2000 jaar komen christenen iedere zondag rond het Woord bij elkaar omdat ze geraakt zijn door woorden van trouw en hoop. Woorden die een doorleefde ervaring geworden zijn, een houvast voor generaties door de tijden heen. Of zoals de Psalmist zegt: wij gaan van kracht tot kracht steeds voort. Door de eeuwen heen is dit geloof door mensen bewaard, soms een kleine vlam, bijna gedoofd, maar steeds weer opgelaaid, aangeblazen door de adem van de Geest.
Ook u bent vandaag weer naar de kerk gekomen omdat u op een spoor gezet bent, geraakt door het Woord, omdat u in deze gemeenschap wilt luisteren, bidden, zingen en het brood ontvangen. Gedreven, bezield door de Heilige Geest moeten wij als gelovigen aan de basis verdergaan om gestalte te geven aan de kerk.
De laatste tijd hebben we in de kerk veel uitspraken gehoord die ons verontrusten en onzeker maken. Laten we gewoon aan de basis doorgaan en luisteren naar de stem van ons hart.
Laten we weten dat niet de kerkvorsten de kerk leiden maar de Heilige Geest.
Ik zou willen afsluiten met een gedicht van Hendrik Pierson
God is getrouw, zijn plannen falen niet,
Hij kiest de zijnen uit, Hij roept die allen.
Die ’t heden kent de toekomst overziet,
laat van zijn woorden geen ter aarde vallen;
En ’t werk der eeuwen dat zijn Geest omspant, volvoert zijn hand
De heer regeert! Zijn Koninkrijk staat vast.
Zijn heerschappij omvat de loop der tijden;
Een sterke hand die nooit heeft misgetast,
Blijft met het heilig zwaard des Geestes strijden;
En d’adem zijner lippen overmant, de tegenstand.
De Heil’ge Geest, die haar de toekomst spelt,
Doet aan Gods Kerk zijn heilgeheimen weten;
Hij, die haar leidt en in de waarheid stelt,
Heeft zijn bestek met wijsheid uitgemeten
Hij trekt met heel zijn Kerk van land tot land
als Gods gezant.
Amen.