Tragisch

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

Melaatsheid is een vreselijke ziekte. Alle beschavingen treffen maatregelen om mensen te beschermen tegen besmetting. De melaatsen zelf zijn daar uiteraard het grootste slachtoffer van. Ook in her oude Israël was dat zo. In het boek Leviticus (13,46) staat: ‘Zolang de ziekte duurt, is de persoon in kwestie onrein; hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven.’ Dat ‘onrein’ sloeg niet alleen op hygiëne, maar hield ook in dat men geen omgang mocht hebben met her heilige. Melaatsen waren zelfs bij God niet welkom.

Hoe kan men zo hardvochtig zijn voor zieke mensen? Dat vragen wij ons spontaan af. Laten we echter niet vergeten dat de geneeskunde in de tijd van Mozes (dat is dus ruim 3000 jaar geleden!) nog nergens stond. Wat konden de verantwoordelijke leiders van het volk anders doen dan ervoor zorgen dat de ziekte zich niet verspreidde? De volksgezondheid ging voor alles. Men kon niet anders dan de zieke zelf uit de groep verwijderen. Opvangmogelijkheden voor melaatsen waren er niet. De zieke zelf was dus onvermijdelijk de dupe. Men moet dus wel even voorzichtig wezen met termen als hardvochtigheid en onmenselijkheid. Men kon gewoon niet anders dan dergelijke radicale maatregelen nemen.

In Jezus’ tijd waren de melaatsen geen slachtoffers van kwaadwillige heersers. Hun situatie was werkelijk tragisch. Ze was het gevolg van… goede maatregelen om mensen te be¬schermen. Tragiek is immers het kwaad dat ontstaat door her goede dat mensen doen. De kreet van de melaatse tot Jezus was de uiting van die tragiek. De zieke schold niet tegen zijn volk, de wet of de overheid. Misschien wist hij met zijn verstand maar al te goed dat zijn ziekte gevaar opleverde voor anderen en dat hij dus uit de groep verwijderd moest worden. Hij was geen slachtoffer van de boosaardigheid van zijn medemensen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat sommigen echt medelijden met hem hadden. Maar ook zij konden niets doen. Intussen bleef de situatie van die man uitzichtloos. In zijn kreet lag misschien wel de tragiek van heel zijn volk. Men kon niet helpen en men moest zichzelf beschermen. Men kwam er nier uit. Maar de nood bleef. En de schreeuw werd geschreeuwd. Het was de kreet om een echte verlosser, om iemand die hulp kon bieden waar alle menselijke mogelijkheden uitgeput waren en de situatie uitzichtloos was. Waar mensen alles gedaan hadden wat ze konden en er toch niet uit kwamen.

Wellicht stel ik de zaken wat onschuldiger voor dan ze in werkelijkheid waren. Spontaan hebben we allemaal een afkeer voor die walgelijke ziekte. Onrein te zijn was bovendien een religieus geladen stigma. Toch verwoordde die melaatse de tragiek waarin mensen ook in totaal andere omstandigheden kunnen terechtkomen. Als ze namelijk alles gedaan hebben wat ze moesten en konden doen, als ze echt hun verantwoordelijkheid genomen hebben, en er toch niet uit komen. Die kreet mag tot Jezus gericht worden. Hij is toch immers de Redder.

Zoeken in Preken Online