Heen en weer

B-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

Job zit in het stof en zak en as. En klaagt. Weegt zijn ellende af, etaleert breeduit de stuurloosheid van zijn woorden, de ontbinding van zijn lichaam, de onrust van zijn ziel. Na lang zwijgen houdt hij niet langer zijn mond. Hij lucht zijn hart, klaagt bitter zijn nood. Hij is in het ongeluk gestort en hij heeft er genoeg van.
Er komen vrienden op bezoek, maar zij vormen een deel van zijn probleem. Therapeuteraars, psychologen van de kouwe grond, en - nog erger - godgeleerden kunnen zo heerlijk weten hoe alles zit en komt. Een orenmaffia avant la lettre praat op Job in, met een beroep op zijn eigen schuld en op Gods almacht. Ze meten hem een dwangbuis aan van systeem en ideologie. Ervaring van ooit werd bij hen tot reglement en dogma; zo proberen zij Job terug in zijn schulp te duwen.
Maar hun antwoorden kunnen niet kloppen zolang ze de vraag niet horen. De vraag naar het ‘waarom’ van lijden en onrecht, niet als abstracte categorie, maar als concrete en volstrekt willekeurige realiteit. Dat ‘waarom’ is sterker dan welk ‘daarom’ ook. En Job wenst daarin serieus genomen te worden. Hij wil in het donker licht ontwaren, speurt tegen de dood in van gemoraliseer naar levenskunst.
Beste Job, hou je klagen vol. Hou vol, al was het maar namens miljoenen levenden en zinloos stervenden. Hou vol, misschien dat jij ons kerels huilen leert. Hou vol, want niet jij bent zielig, maar die zogenaamde vrienden die tot in de twintigste eeuw hun irritante zegje doen. Hou vol en laat je klacht maar uitgroeien tot een aanklacht. Tegen de onbegrijpelijkheid in van lot en god en dood, tegen de onmenselijkheid van de mensen, tegen de waanwijsheid en geloverigheid. Zoals je klein werd in je klagen, zo zul je groot zijn in je protest. Hou vol, totdat iemand je hoort die niet verklaart maar aanspreekt, die zegt: ‘Ik weet het ook niet, ik ljd met je mee, zó zal ik er zijn'.

De schoonmoeder van Simon ligt op bed. Wat ze mankeert wordt niet verteld. Maar het zou mij niet verwonderen als haar bedlegerigheid zoiets zou zijn als een protestactie tegen de afhankelijkheid van haar bestaan. Ze is naamloos: niet eens de moeder van, maar de moeder van de vrouw van. Het kan ook zijn, dat ze platgeslagen is door het bericht dat die rare schoonzoon haar dochter had laten zitten toen hij achter de rabbi van Nazaret aan ging. Je kunt je afvragen hóe ze daar op bed ligt. Lijdzaam en uitgeblust? Of zich wentelend in eigen zieligheid, onmacht, schaamte, schuld? Klagen kan je klein maken, zelfbeklag kan je dubbel kleineren. Je wordt slachtoffer én van de omstandigheden én van jezelf.
Ach, het zijn maar veronderstellingen. Wie weet was ze, ziek en wel, het zonnetje in huis. We weten het niet. Het evangelie zegt alleen maar dit: dat er iemand naar haar toekwam, die haar aanraakte, die kennelijk niet in haar probleem geïnteresseerd was, maar in haar, en liet haar vervolgens opstaan.
Lieve schoonmoeder van Simon: dat opstaan moest je zelf doen. Wat goed dat je dat dan ook dééd. Dat je meteen aan het bedienen sloeg. Let wel: ik geloof er niets van dat je daarmee in oude patronen terugviel. Opgestaan is opgestaan. Volgens mij wisselde je je afgedwongen dienstbaarheid in voor een vrij gekozen dienen. Je kwam vrij, je werd iemand, je werd eindelijk een mens om mens te zijn. Ik zou je een naam willen geven, teken van eigenheid, bezegeling van vrijheid. Kies maar hoe je heten wil: Petra of Simone, Ester of Judith, Neelje of Fia, Gerdien of Loesje. Zeg het maar; geen mens die jou nog over het hoofd zal zien, geen man die jou nog plat krijgt.

Jezus, de rabbi uit Nazaret, bevindt zich inmiddels op een eenzame plek. Allerlei volk is langs geweest, met allerlei kwalen, demonen, complexen en patronen. Vrouwen en mannen: aangedragen en aaneraakt, genezen voorgoed, opgestaan om te dienen, mens geworden om mens te zijn. En nu heeft Jezus zich teruggetrokken. Alsof hij bang is voor succes. Hij wil geen goeroe worden die nieuwe afhankelijkheden schept, gaat liever naar een plaats waar hij klein mag zijn. Wil zich niet laten inpakken, wil zichzelf niet verliezen. Wil niet geleefd worden, wil leven. Daarom: terug naar de bron, de eenzaamheid in. Over de eenzaamheid van Jezus, daar zou eens een boek over geschreven moeten worden.
Zijn leven lang zal hij heen en weer reizen tussen de woonplaatsen van de mensen en de dalen der verlatenheid, tussen de duizenden en die Ene, tussen de veelheid aan ervaringen en de eigen grondervaring. Telkens zal hij terugkeren om de herinnering te koesteren aan de stem die sprak: ‘Jij veelgeliefde, jij mens naar mijn hart’. Om te ‘bidden’, te klagen en aan te klagen als Job, zolang tot de stilte opengaat. Om het visioen van een nieuwe wereld zuiver en scherp te houden, om zijn bestemming helder te krijgen. En om op te staan als de schoonmoeder van Simon: om te dienen. Om dan daartoe weer verder te gaan, naar de dorpen in de omtrek.

Beste Jezus, wat heb je daar in de eenzaamheid ontdekt? Dat wie demonen uitdrijft, zelf uitgesloten zal worden? Dat wie anderen laat opstaan, zelf opgehangen zal worden? Dat wie de dood bestrijdt, zelf kapotgemaakt zal worden, en ingekaderd bovendien? Of je getroost werd of getart, vervoerd of gevloerd, aanvaard of ertoe uitgedaagd: we weten het niet. Maar je hebt je speurtocht naar leven niet opgegeven. Zó, pendelend tussen mensen en hun God, tussen de velen en die Ene, ben je ons lief geworden. Zo werd je licht van licht en trouw van trouw, beeld van die gezegd heeft: ‘Ik zal er zijn’. Zo heb je ons vrijheid aangereikt, en je hebt ons geleerd te dorsten naar méér.

Zoeken in Preken Online