Job maak je niets meer wijs. Hij is door alle vreugden, vertroostingen en zekerheden heen gezakt. Zijn conclusie is duidelijk: ‘Mijn leven is een zucht, ik zal geen geluk meer zien.’ Eén iets kan hij nog wel: klagen. Zijn ellende wordt een ononderbroken, striemende aanklacht tegen God. Maar God geeft geen antwoord. Hij trekt zich terug in de ondoorgrondelijkheid van zijn eigen mysterie. Ook wanneer de laatste bladzijde van de Schrift geschreven is, zijn Jobs vragen niet naar behoren beantwoord. Zijn klacht scheurt door de eeuwen heen, tot in onze dagen.
Intussen is er nog wel een ander verhaal verteld. We lezen daaruit een fragment dat ongeveer een etmaal uit het leven van Jezus weergeeft. Hij houdt zich aan de godsdienstige tradities van zijn volk: Hij bezoekt de synagoge, verricht daar de gebeden en predikt er. Hij zegt dat de beloften van de profeten nu in vervulling gaan. Maar dat betekent blijkbaar niet dat Hij het antwoord heeft op alle vragen. Ook na zijn dood en opstanding zal de aanklacht van Job onbeantwoord blijven.
Wel komen de mensen naar Hem toe. Ze brengen hun zieken en bezetenen mee. Petrus’ schoonmoeder wordt genezen. Dergelijke genezingsverhalen zijn heel dubbelzinnig. Ze con-fronteren ons met onbegrijpelijke dingen, met ‘mirakels’. Hoe die gebeuren, wordt niet uitgelegd. En dat stoort ons. Job krijgt geen uitleg over zijn situatie en Jezus verduidelijkt ook niet hoe Hij mensen geneest. Zo komen wij voor een scherpe vraag te staan: wat hebben wij dan aan dat geloof van ons? Wat heeft het ons te bieden, en vooral… wat neemt het ons af?
De klacht van Job is, ook na Jezus’ optreden, niet uit de wereld. Bij elke ferme tegenslag of beproeving kan ze ook in ieder van ons wakker worden. Zal ons geloof ons dan redden? Niemand weet dat op voorhand. Wel weten we dat ons geloof niet al onze miserie zal wegtoveren en geen afdoende verklaring zal bieden voor wat ons overkomt. Misschien moeten onze valse zekerheden eerst onderuitgehaald worden, opdat er dan eindelijk ruimte zou ontstaan voor het echte geloven. Misschien moet de ‘tovergod’, die ons op onze wenken bedient, eerst ontmaskerd worden om ons te brengen bij het zwijgende mysterie van de echte God. Uitleg geeft Hij niet.
Maar wat blijft dan nog over? Het antwoord is verbijsterend eenvoudig: die man uit Nazaret, die in Galilea rondliep en daartoe ook gezonden was. Hij wil dat mensen, met heel hun hebben en houden, met hun vreugde en verdriet, bij Hem komen. Veel uitleg zal ook Hij niet geven. Voor Hem is God geen raadsel dat uitgelegd moet worden, maar een onuitsprekelijk geheim, waarbij ook Hij hele nachten vertoefde. Men leze niet achteloos over dit zinnetje heen, want het is de meest verrassende vermelding in deze passage van het evangelie.