Na de roeping van zijn eerste leerlingen gaat Jezus nu echt van start met zijn zending. Hij kiest als uitgangsbasis niet Nazareth (want niemand is profeet in eigen stad, Lc 4,24), maar Kafarnaüm (Kefar Nahum of dorp van Nahum), vlak bij het meer van Genezareth, op de grens bij de grote karavaanweg van Syrië naar Egypte. Op de douanepost zal Hij Mattheus vinden. Daar is een Romeins garnizoen gelegerd, waardoor Hij de Honderdman zal ontmoeten. Daar is een synagoge of Joods gebedshuis, waarvan het hoofd Jaïrus is. En daar woont Petrus, bij wie Hij zijn intrek mag nemen. - De voorgelezen evangelietekst biedt ons de drie steeds terugkerende handelingen van Jezus in zijn publiek leven: Hij preekt, Hij doet wonderen, en Hij gaat bidden:
- De tekst begint bij de synagoge die Jezus juist verlaat, en stopt bij zijn prediking in alle synagogen van Galilea. Een synagoge betekent verzamelhuis voor gebed en bijbelleer, speciaal open op sabbatdag. Ze waren ontstaan in de ballingschapstijd, als alternatief voor de verwoeste tempel. Eenmaal terug uit ballingschap werden synagogen opgericht over heel Palestina. In Jezus’ tijd waren er bij de 480. Ze waren de aangewezen plaatsen voor Jezus’ verkondiging.
Wat heeft Hij precies verkondigd ? Samengevat was Jezus’ tijding: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.” ( Mc 1,15). Wat uitgebreid geleek die wellicht op Jezus’ toespraak in de synagoge van Nazareth: “De Geest des Heren over Mij. Hij heeft Mij gezalfd en gezonden om de blijde boodschap te brengen: aan armen, gevangenen, blinden, verdrukten… " (Lc 4,18). In Nazareth was er verbazing voor de wijsheid van die eenvoudige timmermansjongen. In Kafarnaüm waren ze buiten zichzelf van verbazing, want hij sprak met gezag (Mc 1,27; Lc 4,32). De schriftgeleerden beriepen zich op de Schriften. Maar Hij haalde zijn gezag uit de persoon die Hij zelf was, in zijn intiemste verbondenheid met de Vader: “Gij hebt gehoord dat tot u is gezegd… Maar Ik zeg u…” ( Mt 5, 22, 28, 32, 34, 39, 44)
- En Hij deed wonderen. Hij begon met zieken. Met bezetenen. Vandaag wil men vaak in deze bezetenen alleen psychisch gestoorden erkennen. Maar er was meer aan de hand: wie echt door demonen is gekweld, weet wie Jezus is en verzet zich radicaal tegen zijn persoon. Het Rijk Gods was voor demonen een bedreiging. Bezetenen raakte Jezus nooit aan, maar Hij gaf steeds een kordaat bevel. Hij kwam ook bij gewone zieken, zoals de schoonmoeder van Petrus die koortsig was. Die raakte Hij aan. De koorts verdween. Hij deed haar opstaan; en zij ging weer bedienen. Dat is logisch: het leven dat men krijgt, houdt men niet voor zich alleen. En nu ‘s avonds de sabbat voorbij was, bracht men allerlei zieken aan. Er moeten in Kafarnaüm veel wonderen zijn gebeurd. Dan en ook later. Want eens ging Jezus Kafarnaüm berispen, omdat het ondanks de wonderen zich toch niet bekeerde: “En gij, Kafarnaüm… Indien in Sodoma (niet-Joods) de wonderen waren gebeurd die bij u zijn geschied, zou het tot op deze dag zijn blijven bestaan…” (Mt 11,23). En: “Tyrus en Sidon (heidense steden) zouden reeds lang zich bekeerd hebben…, indien bij hen de wonderen waren gebeurd die bij u hebben plaats gevonden.” (Lc 10,13).
Merk op dat Jezus nooit zelf de zieken opzocht. Ze kwamen tot bij Hem, of Hij werd uitgenodigd. Deze wonderen waren tekenen van Gods goedheid. Maar tevens bewezen ze wie Jezus in zijn diepte was. Hij droeg in zich een groot geheim dat zelfs voor ons nog niet helemaal ontsluierd is.
- Ten slotte ging Jezus bidden. Hij vluchtte weg om te bidden en om bij zijn Vader alleen te zijn in de nacht. Deze vermelding is niet een losse kanttekening. Het bidden behoorde tot de kern van Jezus’ activiteit. Daarover spreken de evangeliën bij herhaling. Dat zien we gebeuren na de genezing van een melaatse, die een stoet van zieken op de been bracht naar Jezus (Lc 5,16), juist voor de keuze van de twaalf (Lc 6,12), na de eerste wonderbare broodvermenigvuldiging (Mc 6,46; Lc 9,18), eens toen de leerlingen Hem vroegen hoe ze moesten bidden (Lc 11,1), en na het laatste avondmaal in de Olijfhof (Mc 14,32),.. Aansluitend schreef G. Gezelle: “Gij badt op eenen berg alleen, en… Jesu, ik en vind er geen waar ‘k hoog genoeg kan klimmen…” - Maar Hij bad ook in groep, zoals Hij met zijn leerlingen bad bij zijn gedaanteverandering op de berg (Lc 9,28)…
De Vader was de bron van Jezus’ handelen. De Vader was het die blijvend in Hem zijn werk verrichtte (Joh 5,17; 14,10). Bidden was daarom zijn levensdrift. Van de Vader kon Hij niet los. En dit ging over op wie Hem volgde. Zo schreef Paulus: “God is het die in u… het werken tot stand brengt.” (Fil. 2, 12). “Die overgrote kracht komt niet van ons…” (2 Kor 4,10) Pastoraal werk zit niet in het doen van onze eigen zin, maar groeit uit de initiatieven die we getoetst hebben aan Gods heilsinitiatie. Wij dreigen soms te verzeilen in een uitputtend activisme, en eigen creativiteit te besmetten met wat ons interesseert. Het bidden richt, verdiept, zuivert en maakt waar. Daarom is bidden zo belangrijk. Jaar v.h. gebed ! “Het gebed is de ziel van elk apostolaat” (Dm C. Marmion).