Het kwaad bestrijden - je er nooit bij neerleggen (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 4e zondag · groen

Wat wij hier doen heeft alles te maken met verbeelding. In verhalen, liederen en gebeden verbeelden we ons idee over de zin van het leven, ons geloof in de toekomst, wat of wie wij zien als de diepste grond van ons bestaan, onze eigen bestemming. We staan hier stil bij het leven, zou je kunnen zeggen.

Aan de ene kant heb je de ruimte van het gewone dagelijkse leven. Daar heerst de egocratie. Daar hebben we al gauw het idee dat we alles zelf in handen hebben, alles kunnen regelen, en dat wijzelf het centrum zijn en het hoogste goed.
Maar er is ook een andere ruimte, die daar als het ware om heen zit of aan grenst.
Je kunt dat de mystieke ruimte noemen, dat wat ons te boven gaat, de diepere dimensie van ons bestaan, de spirituele wereld, de transcendente werkelijkheid,
het eeuwige leven, God. Maar: daar kun je vaak zo moeilijk bij komen. Soms voelt het alsof er een muur tussen zit, een soort scheidingswand.

Nu, wat wij hier doen met geloofsverhalen, met ons zingen en bidden, met poëtische taal; wat we doen met geuren en kleuren, symbolen en gebaren en heel de liturgie, dat is: proberen om die scheidingswand transparant maken of liever nog:
te passeren; om zo die grotere levensruimte binnen te gaan en samen met God
het bestaan te beleven in al z’n diepte.
Om ons daarbij te helpen heeft de Joodse religie ons dat heilige boek met verhalen nagelaten. En de sabbat. Verhalen, gedichten, liederen, psalmen over: dat er toch ook een ander land moet zijn, een goed leven, liefde, recht, een menselijk bestaan voor iedereen. Van die verhalen leven gelovige mensen over heel de wereld ook nu nog. Naast dat heilige boek dus ook nog de Sabbat. Om in dat hectische leven even stil te staan, een moment om je bewust te zijn van die andere dimensie van het leven en om dat te vieren.

De grote kunst is om je open te stellen, je over te geven, je door die scheidingswand heen te laten leiden en je te laten raken door die oude woorden en visioenen die de weg ten leven zijn. Het is dus geen vlucht uit bittere werkelijkheid dat we hier telkens bij elkaar komen. En we zoeken geen wereldvreemd houvast. Nee, gelovige mensen ervaren gewoon iets van leegte en gemis. En tegelijk hebben ze een heel oud verlangen naar heelheid en genezing. Ze hebben nu eenmaal weet van een diepere werkelijkheid, een bewuster leven. Het fundament van alle godsdienst is niet voor niets: verwondering, schroom, huiver voor het mysterie. Het besef dat wij het allemaal niet even kunnen regelen. Dat er zoveel vragen over blijven.
Als we werkelijk het mysterie zouden erkennen, zou dat in onze samenleving álles relativeren: alle pretenties, alle autonomie, alle mensenmacht. In die zin is godsdienstig zijn de bron van het besef van betrekkelijkheid, van eindigheid, deemoed, onthechting.

Zo is ook het leven van Jezus getekend door het hartstochtelijke verlangen van profeten en psalmdichters en door het zuchten van verdrukte en bezeten mensen, die aangeven hoe onmenselijk en hoe leeg ons dagelijks leven soms kan zijn.
Het is haast zeker dat Hij zich niet heeft willen neerleggen bij de bestaande toestand, het versmalde goddeloze leven, maar dat Hij is opgetreden als genezer en dat Hij die zogenaamde “onreine geesten” heeft uitgedreven.
Hij doet dat als teken van wat Hij noemt: het Koninkrijk van God, de diepere dimensie van ons bestaan, het leven waar God plaats mag vinden.
En Hij doet dat bij voorkeur op de Sabbat, zoals we ook vandaag lezen. Hij drijft een onreine geest uit, staat er. Op een andere plaats wordt die geest “duivel, diabolos”, genoemd of Legio, Legioen. Die staat in de Schriftverhalen voor alle verdeeldheid, twijfel en tweedracht, alle haat en kwaad dat het samenleven verziekt en het leven vernietigt en in tweeën splijt. Hij staat voor heel die bezettingsmacht, dat legioen van leegheid dat bezit kan nemen van mensen.

Het komt er in ieder geval op neer dat er iets in ons is dat scheiding teweegbrengt tussen mensen, dieren, aarde, God. Iets dat ons bestaan plat maakt en goddeloos. En dan hebben we het niet over ziekte en ongeluk, want dat blijft ook voor gelovige mensen één grote vraag. Het enige wat de Schrift dáárover zegt is dat we Gods wegen niet kennen; dat Hijzelf met ons meegaat in dat lijden; en dat we er daarom goed aan doen om in ziekte en lijden elkaar in Godsnaam nabij te zijn.
Maar naast ziekte en lijden is er nog zoveel andere ellende die het leven en samenleven verstoort. En vanouds werd dat allemaal toegeschreven aan een macht buiten ons: een kwade geest, de duivel, de satan.
U en ik weten daar misschien niet zo goed raad mee. “De duivel bestaat niet”, zeggen we dan maar. “Het is een mythisch beeld voor het kwaad”.
Dat kan dan wel zo zijn, maar daarmee komen we nog geen stap verder. Want wat gewoon blijft is: de tweedracht, de verscheurdheid, de dubbelheid, de kwade krachten in het groot en in het klein, waaraan we verkocht en uitgeleverd zijn, waardoor we worden bezet en bezeten, en waardoor we het bestaan verzieken en versmallen. Daar gaat het over en daartegen worden ons al die verhalen verteld.
Ongelovige mensen zijn geneigd om dat kwaad te verklaren en zich dan bij de gang van zaken neer te leggen. Maar Jezus vertegenwoordigt de religieuze ervaring, het oude verlangen, de hunkering naar een ongebroken leven, die diepere dimensie van het bestaan, waarin mensen ooit geheeld en verzameld zullen zijn. En daarom gaat Hij op Sabbat de synagoge binnen, waar vanouds die gelovige mensen bij elkaar komen, waar de oude verhalen klinken en waar de komst van het koninkrijk van God, dat geheelde leven, wordt hoog gehouden.
En daar is dan ineens die bezeten mens, die zijn angst en de verscheurdheid van
zijn bestaan uitschreeuwt. Jezus brengt dat kwaad in hem tot zwijgen en bevrijdt hem uit zijn gevangenis. Iedereen vraagt zich af: wat gebeurt hier!? Hier gebeurt geloof. Hier wordt gewerkt aan bevrijding, genezing, heelheid. Hier leeft iemand in de ruimte van God, iemand die ook aan de ander dat geluk gunt en hem uitnodigt Hem te volgen.

Ik denk dat de lezingen ons vandaag ons twee dingen willen doorgeven. Het eerste is: gelovige mensen leggen zich niet neer bij het feit dat er zoveel kwade krachten werkzaam zijn in henzelf en in hun omgeving en dat het leven zo leeg en oppervlakkig is. Zij zijn ervan overtuigd dat daar wat aan te doen is. Ze proberen om, met de hulp van anderen misschien, vrij te worden van alles wat ze bezet en bezeten houdt. Ze proberen door stilte en gebed zich te openen voor een grotere werkelijkheid, de spirituele laag van het leven. Ze laten zich leiden door de aanwezigheid van God in hun bestaan. Ze zouden nooit meer anders willen.

En het tweede is: als je je zo dóór die scheidingswand heen laat leiden, als je opengaat voor die diepere dimensie van het leven, als je dat oude verlangen naar heelheid en bevrijding echt in je toelaat, dan ga je vanzelf ook anders leven. Dan doe je de dingen anders en bewuster. Je gaat anders om met het kwaad in de wereld, omdat je een gelovige mens bent, iemand met huiver, met schroom voor het mysterie. Iemand dus die diep in z’n ziel een soort intuïtie heeft, een onuitroeibaar weten, dat zegt dat het in onze samenleving anders toe kan gaan: beter, lichter, liever, vrijer, saamhoriger. En telkens als wij hier op ’t Zand bij elkaar komen, dan helpen we elkaar om dat te bereiken. En we vieren al de hoop op dat andere geheelde leven, waar God woont bij ons mensen.
Moge dat ook vanmorgen zo zijn.

Zoeken in Preken Online